Portaal

Biografie
Werken
Over het leven en het werk van Mandel...
Debatten, interviews, ...
Multimedia
Contact
Mailinglist

Nu voor 12 euro!

Dubbele DVD:

Links
Castellano
Deutsch
English
Français

Het laatkapitalisme - Proeve van een marxistische verklaring
Ernest Mandel - Internet-archief
Ernest Mandel

Afdrukken

Hoofdstuk 9:

Permanente bewapeningseconomie en laatkapitalisme

Sinds het einde van de jaren ’30 speelt de wapenproductie een belangrijke rol in de imperialistische economie, die nu al meer dan dertig jaar lang een ononderbroken bewapening kent. Niets wijst erop, dat die tendens tot permanente bewapeningseconomie binnen afzienbare tijd zal verdwijnen. We hebben dus te maken met een kenmerk van het laatkapitalisme dat uit het maatschappelijke en economische ontwikkelingsproces van die productiewijze zelf verklaard moet worden. In de eerste plaats moet onderzocht worden, in hoeverre bepaalde, voor het laatkapitalisme — in tegenstelling tot vroegere fasen van de burgerlijke samenleving — specifieke economische kenmerken verband houden met de permanente bewapening, en of deze kenmerken de historische periode van het laatkapitalisme verder zullen blijven bepalen als de bewapening aanhoudt.

Wapenproductie en bewapening als economische verschijnselen zijn in de geschiedenis van de kapitalistische productiewijze zeker niets nieuws. Als bron van oorspronkelijke accumulatie door middel van staatsschulden ten tijde van de successieoorlogen van de 15de tot de 18de eeuw was de wapenproductie een vroedvrouw van het kapitalisme.[1] Als motor van de versnelde industrialisering of uitbreiding van de kapitalistische afzetmarkt hebben bewapening en oorlog in de moderne geschiedenis een belangrijke functie gehad (vgl. de snelle opgang van de Engelse industrie na 1793, de Franse oorlogsproductie tijdens de napoleontische oorlogen, de Krimoorlog tussen Groot-Brittannië en Rusland, de bewapening als hefboom voor de industrialisering van Japan in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw, enz.).[2] Ook in het imperialistische tijdperk heeft de bewapening in de twintig jaar vóór de Eerste Wereldoorlog een belangrijke bijdrage geleverd tot de versnelde expansie van de productie.[3] Maar in geen enkele periode heeft de wapenproductie zo’n ononderbroken stijgende tendens vertoond als in het laatkapitalisme en zo’n belangrijk deel verslonden van het jaarlijks voortgebrachte product (als deel van het nationaal inkomen of het bruto nationaal product, d.w.z. van de jaarlijks geschapen nieuwe waarde of de waarde van de jaarlijkse warenproductie). Fritz Vilmar heeft berekend, dat de bewapeningsuitgaven per jaar, uitgedrukt in miljarden gouddollar, internationaal gestegen zijn van 4 miljard tussen 1901 en 1914 tot 13 miljard tussen 1945 en 1955.[4] Men kan dus terecht van een omslag van kwantiteit naar kwaliteit spreken; de kwantitatieve uitbreiding van de bewapening heeft m.a.w. ongetwijfeld economisch een nieuwe kwaliteit geschapen. Eén cijfer is voldoende: de mondiale wapenproductie bedroeg in 1961 bijna de helft van de bruto investeringen (gross capital formation, d.w.z. netto investeringen plus lopende afschrijvingen van het vaste kapitaal).[5] De plaats van de wapenproductie en militaire uitgaven in het bruto nationaal product van de Verenigde Staten heeft zich als volgt ontwikkeld (we houden hier alleen rekening met de directe, niet met de indirecte militaire uitgaven):[6]

1939 1,5 % 1948 4,3 % 1956 9,8 % 1964 8,1 %
1940 2,7 % 1949 5,0 % 1957 10,2 % 1965 7,6 %
1941 11,1 % 1950 5,7 % 1958 10,4 % 1966 7,9 %
1942 31,5 % 1951 13,4 % 1959 9,7 % 1967 9,1 %
1943 42,8 % 1952 13,5 % 1960 9,1 % 1968 9,7 %
1944 42,5 % 1953 13,6 % 1961 9,3 % 1969 9,0 %
1945 36,6 % 1954 13,6 % 1962 9,4 % 1970 8,3 %
1946 11,4 % 1955 9,9 % 1963 8,8 % 1971 7,5 %
1947 6,2 %

De nu volgende tabellen bevatten gegevens over de omvang van de militaire uitgaven van andere imperialistische landen na de Tweede Wereldoorlog:[7]

Defensie-uitgaven in % van het bruto nationaal product tegen lopende prijzen

  1950 1955 1960 1965 1970
Frankrijk 5,8 4,9 5,4 4,0 3,3
Bondsrepubliek 4,5 3,3 3,2 3,9 3,2
Italië 3,2* 2,8 2,5 2,5 3,6
Groot-Brittannië 6,3 7,7 5,9 5,9 4,9
*1951

Gemiddelde jaarlijkse groei (in %) van de militaire uitgaven tussen 1950 en 1970 tegen vaste prijzen

VS +6,2 Frankrijk +4,2
Japan + 3,9* Bondsrepubliek + 5,8
Groot-Brittannië + 1,3 Italië +4,1
*1951-1970

Het gaat er nu om, de gevolgen van de militaire uitgaven op de ontwikkeling van de kapitalistische economie als geheel te onderzoeken. De veiligste methode is waarschijnlijk om de dynamiek van de belangrijkste interne tegenspraken en ontwikkelingsproblemen van de kapitalistische productiewijze in het licht van een permanent omvangrijke bewapening te analyseren. Met dit doel veranderen we Marx’ reproductieschema, dat met twee sectoren werkt — sector I: productiemiddelen, sector II: consumptiegoederen — in een schema met drie sectoren, waarbij aan de twee genoemde basissectoren een derde wordt toegevoegd: een sector die vernietigingsmiddelen voortbrengt.[8] Dit onderscheid is gerechtvaardigd, omdat sector III, in tegenstelling tot de sectoren I en II, waren voortbrengt die niet in het reproductieproces van de materiële productie-elementen (vervanging en uitbreiding van de verbruikte productiemiddelen en arbeidskracht) worden ingeschakeld en tegen die materiële elementen ook niet uitwisselbaar zijn, zoals bijv. wél het geval is bij de consumptiegoederen die door de kapitalisten en degenen die in hun dienst staan onproductief worden verbruikt.

1. Wapenproductie en het realiseringsprobleem

Bij een stijgende organische samenstelling van het kapitaal in de afdelingen I en II ontstaan er realiseringsproblemen, doordat de koopkracht voor consumptiegoederen (de loonsom), die in de productie van productiemiddelen wordt geschapen, bij een stijgende organische samenstelling van het kapitaal als gevolg van de technische vooruitgang langzamer groeit dan de in de productie van consumptiegoederen geschapen vraag naar productiemiddelen. De in afdeling I geproduceerde koopkracht voor consumptiegoederen is niet in staat om de totale waarde van de waren die in afdeling II geproduceerd zijn — en niet binnen die afdeling circuleren — te realiseren. Als die consumptiegoederen tegen hun waarde verkocht worden, d.w.z. als we een herverdeling van de meerwaarde ten gunste van afdeling I en ten koste van afdeling II uitsluiten,[9] blijft er dus een onverkoopbaar residu aan consumptiegoederen over, zoals blijkt uit de schema’s van Tugan-Baranowski en van Otto Bauer: ‘Dat vloeit voort uit het feit, dat bij een stijging van de organische samenstelling van het kapitaal minder nieuwe arbeiders ingeschakeld worden en het maatschappelijke verbruik dus niet voldoende kan worden uitgebreid om het hele warenproduct van afdeling II af te nemen. Dergelijke storingen doen zich noodzakelijk voor als de meerwaardevoet stijgt of als van de nieuw voortgebrachte meerwaarde een groter deel geaccumuleerd wordt dan in de vorige productieperioden. Ook in die gevallen wordt de ongestoorde voortzetting van de uitgebreide reproductie, die in de schema’s voorzien is, onmogelijk, omdat de als gevolg van de technische vooruitgang intredende disproporties in de ruilverhoudingen tussen de beide afdelingen de tot dusver bestaande proportionaliteit vernietigen.’[10]

Kan het ontstaan van een afdeling III die realiseringsproblemen opruimen, d.w.z. ondanks de stijging van de organische samenstelling van het kapitaal de proportionaliteit tussen de afdelingen I en II herstellen?

Afdeling III zou dit slechts kunnen, als

IIc + IImβ + IIIc + IIImβ = Iv + Imα + Imγ + IIIv + IIImα + Illmγ zou zijn (de meerwaarde valt uiteen in het onproductief verteerde deel α , het in constant kapitaal geaccumuleerde deel β en het in variabel kapitaal geaccumuleerde deel γ). Zoals bekend zal IIc + IImβ bij een stijgende organische samenstelling van het kapitaal echter groter zijn dan Iv + Imα + Imγ (vandaar juist het onverkoopbare residu aan consumptiegoederen). De evenwichtsformule kan slechts geldig blijven als IIIv + IIImα + IIImγ groter is dan IIIc + IIImβ, d.w.z. als de bewapeningssector op den duur gekenmerkt wordt door een daling van de organische samenstelling van het kapitaal. Dit is normaliter onmogelijk (behalve in de laatste fase van een vernietigingsoorlog). Daarmee is bewezen dat een bewapeningssector geen oplossing kan bieden voor de realiseringsmoeilijkheden die voortvloeien uit een stijgende organische samenstelling van het kapitaal.

Nemen wij het cijfervoorbeeld van Bauers schema’s. In de eerste productiecyclus hebben we de volgende warenwaarde in de twee afdelingen:

I 120.000c + 50.000v + 50.000m = 220.000 I

II 80.000c + 50.000v + 50.000m = 180.000 II

Otto Bauer gaat ervan uit, dat de meerwaarde in beide afdelingen voor 75 % (35.000 waarde-eenheden) door de kapitalisten onproductief geconsumeerd wordt, en dat 10.000 waarde-eenheden als extra constant en 2.500 als extra variabel kapitaal geaccumuleerd worden.[11] Het systeem is in evenwicht, omdat afdeling II 80.000c + 10.000mβ = 90.000 van afdeling I koopt en tegelijk 50.000v + 37.500mα + 2.500mγ = 90.000 aan afdeling I verkoopt. Als de meerwaardevoet en de onproductieve consumptie van de kapitalisten gelijk blijven, heeft de warenwaarde van de tweede productiecyclus dan de volgende samenstelling:

I 130.000c + 52.500v + 52.500m = 235.000 I

II 90.000c + 52.500v + 52.500m = 195.000 II

Nu is het systeem uit zijn evenwicht gebracht, omdat afdeling II wel 90.000c +

meer dan 12.000mβ, d.w.z. in totaal meer dan 102.000 waarde-eenheden van afdeling I zou moeten kopen (om de organische samenstelling van het kapitaal verder te doen stijgen), maar aan die afdeling slechts 52.500v + 37.500α + minder dan 3.000mγ, d.w.z. in totaal minder dan 93.000 waarde-eenheden kan verkopen. Aldus ontstaat er een onverkoopbaar residu van ca. 10.000 waarde-eenheden aan consumptiegoederen, een residu dat in Bauers schema verdwijnt doordat een deel van de in de eerste productiecyclus in afdeling II gerealiseerde meerwaarde tijdens de tweede productiecyclus in afdeling I geaccumuleerd wordt (de in afdeling II geproduceerde warenwaarde wordt dus volledig gerealiseerd, doordat ze aanzienlijk lager gehouden wordt dan bij een normaal accumulatieproces in die afdeling het geval zou zijn).[12]

Als in plaats van Bauers oplossing (die in tegenspraak is met de logica van Marx’ reproductieschema’s) afdeling III (productie van vernietigingsgoederen) ons uit de realiseringsmoeilijkheden moet helpen, dan kan dat slechts als de waarde van de productie zich in de tweede cyclus in de drie afdelingen bijv. als volgt ontwikkelt:

   I  126.000c + 51.500v + 51.500m =  229.000 I
  II    86.000c + 51.500v + 51.500m = 189.000 II
III       4.000c +  4.000v +   4.000m =   12.000 III

In afdeling I en afdeling II gaan we nog steeds uit van een constante meerwaardevoet en een constante waarde van de onproductieve consumptie van de kapitalisten. Afdeling II verkoopt nu aan afdeling I consumptiegoederen ter waarde van 51.000v + 37.500mα + 4.000mγ, en verkoopt tegelijkertijd aan afdeling III consumptiegoederen ter waarde van 4.000v + 3.375mα + 125γ. De totale warenwaarde die buiten afdeling I gerealiseerd wordt, correspondeert dan met 100.500 waarde-eenheden. Voor die 100.500 waarde-eenheden koopt afdeling II van afdeling I de 86.000 waarde-eenheden terug om c te vervangen, evenals de 10.000 om extra productiemiddelen te accumuleren. 4.500 waarde-eenheden van de door afdeling II gerealiseerde meerwaarde worden door de staat als belastingen afgeroomd en dienen voor de aankoop van 4.500 waarde-eenheden aan vernietigingsmiddelen III. Afdeling I verkoopt voor 86.000 + 10.000 waarde-eenheden aan productiemiddelen aan II en voor 4.000 + 500 waarde-eenheden aan productiemiddelen aan III. Voor de 100.500 waarde-eenheden, die door die verkoop gerealiseerd zijn, koopt afdeling I van afdeling II 51.500 consumptiegoederen voor de reproductie van de voor de vervaardiging van productiemiddelen verbruikte arbeidskracht, 37.500 consumptiegoederen voor de onproductieve consumptie van de kapitalisten en 4.000 consumptiegoederen als tegenwaarde voor de accumulatie van het extra variabele kapitaal. Van de gerealiseerde meerwaarde van afdeling I worden 7.500 waarde-eenheden door de staat in de vorm van belastingen afgeroomd om 7.500 vernietigingsmiddelen aan te kopen. Bijgevolg is de totale waarde van de in afdeling III voortgebrachte vernietigingsmiddelen gerealiseerd door deze dubbele afroming in de vorm van belastingen van 4.500 + 7.500 waarde-eenheden.

Dit voorbeeld verduidelijkt nog een andere voorwaarde, die de realisering van de in afdeling II voortgebrachte warenwaarde (meerwaarde) door de opkomst van een ‘permanente bewapeningssector’ waarborgt: het tot stand brengen van de totale voor de aankoop van de wapens en vernietigingsgoederen nodige koopkracht door afroming van de maatschappelijke meerwaarde, terwijl de reële lonen van de arbeidersklasse onaangetast blijven.

Beide voorwaarden zijn vanuit de logica van de kapitalistische productiewijze zinloos. Het is ondenkbaar, dat in de wapensector permanent een lagere organische samenstelling van het kapitaal zou heersen dan in de afdelingen I en II (en zoals uit de boven uitgewerkte algebraïsche formule blijkt, een organische samenstelling die in dezelfde mate daalt als die in afdeling II stijgt). En het is eveneens ondenkbaar, dat kapitalisten een wapenproductie zouden organiseren om de maatschappelijke loonsom te verhogen, in plaats van te proberen deze te verlagen.

Want een dergelijke stijging zit inderdaad in de ‘oplossing’ van het realiseringsprobleem door de bewapeningssector verborgen. Wanneer we nl. de tweede productiecyclus zonder bewapeningssector vergelijken met de tweede productiecyclus mét bewapeningssector, blijkt dat de totale loonsom van 105.00 tot 107.000 gestegen is (bij een constante productwaarde van 430.000). Om dezelfde waarde voort te brengen hebben de kapitalisten meer loon uitgegeven, wat lijnrecht tegen de logica van de kapitalistische productiewijze ingaat. Dit hoeft geen verbazing te wekken, daar het realiseringsprobleem in laatste instantie slechts door de verhoging van de effectieve vraag naar consumptiegoederen opgelost kan worden. Dat een dergelijke ontwikkeling noch met de historische werkelijkheid noch met de analytische logica overeenstemt, hoeven we hier niet gedetailleerd uiteen te zetten. We hebben in hoofdstuk 5 uitvoerig aangetoond, dat fascisme, oorlogseconomie en de naoorlogse economie gepaard gingen met een aanzienlijke beperking van de consumptie van de productieve arbeiders als deel van het bruto nationaal product, d.w.z. met een aanzienlijke stijging van de meerwaardevoet. Bijgevolg is de permanente bewapening niet in staat om een oplossing te bieden voor het realiseringsprobleem, dat in de kapitalistische productiewijze ontstaat als gevolg van de technische vooruitgang.

Aan de debatten over het probleem of de bewapeningsuitgaven inderdaad een ‘afroming van arbeidsloon’ dan wel slechts een ‘afroming van meerwaarde’ betekenen, ligt een methodische fout ten grondslag: de poging om een beweging, een verandering te willen vatten met statische categorieën. Formeel gezien is iedere duurzame ‘vermindering’ van het loon een vermeerdering van de meerwaarde. Zowel inhouding op het loon als rechtstreekse onttrekking van meerwaarde om de bewapening te betalen betekenen dus, dat de bewapening uit de meerwaarde gefinancierd wordt. Maar die formule doet geen enkele uitspraak over de dynamiek van het proces, d.w.z. beantwoordt niet de vraag, of de voor de bewapening betaalde belastingen de totaalmaatschappelijke verhouding meerwaarde gedeeld door loonsom hebben veranderd, en zo ja in welke richting. De juiste vraag is dus die naar de door de bewapening bewerkstelligde verandering in de verhouding tussen loon en meerwaarde, d.w.z. naar de door de bewapeningsuitgaven bepaalde ontwikkeling van de meerwaardevoet. Als die uitgaven leiden tot een dalend aandeel van het netto loon in het nationaal inkomen (een relatief dalende arbeidersconsumptie), dan wordt de bewapening ongetwijfeld betaald ‘op kosten van de arbeidersklasse’, d.w.z. door een relatieve loondaling. Als het netto loon door een stijging van de belasting op de lonen met het ‘oog op bewapeningsuitgaven duurzaam een kleiner deel van het bruto loon gaan uitmaken, dan kan er zelfs gesproken worden van een daling van de waarde van de waar arbeidskracht, omdat de waarde daarvan immers alleen bepaald wordt door het met het arbeidsloon gekochte warenpakket dat dient voor het herstel van de arbeidskracht en niet door een voor de consumptie van de arbeiders irrelevante categorie ‘bruto loon’ waarop nog geen belasting is geheven.

In die zin hebben Tsuru, Baran-Sweezy en Kidron ongelijk als ze de militaire uitgaven slechts beschouwen als een ‘belasting op de meerwaarde’ of een ‘last op het maatschappelijk meerproduct’ (surplus).[13] Daarentegen had Rosa Luxemburg gelijk toen ze over de bewapeningsuitgaven schreef: ‘Een deel van de in de circulatie van het variabele kapitaal gemobiliseerde geldsom springt uit de baan van die circulatie en vormt in handen van de staat een nieuwe vraag. Dat het proces belasting-technisch anders verloopt, dat nl. het bedrag van de indirecte belastingen in feite door het kapitaal aan de staat voorgeschoten wordt en pas bij de aankoop van de waren in de consumentenprijs aan de kapitalisten gerestitueerd wordt, verandert niets aan het economische aspect van het proces. Economisch is het van doorslaggevend belang, dat de als variabel kapitaal fungerende geldsom eerst de ruil tussen kapitaal en arbeidskracht bemiddelt, om daarna, bij de ruil tussen arbeiders als consumenten en kapitalisten als warenverkopers, voor een deel uit de handen van de arbeiders als belasting naar de staat te verhuizen. Eerst vervult de door het kapitaal in de circulatie gebrachte geldsom dus volledig haar functie in de ruil met de arbeidskracht, om daarna in handen van de staat een volledig nieuwe loopbaan te beginnen, nl. als vreemde koopkracht, zowel buiten het kapitaal als buiten de arbeiders om, die zich op nieuwe producten, op een bijzondere productietak richt, die noch voor het onderhoud van de kapitalistenklasse noch voor het onderhoud van de arbeidersklasse dient en waarin het kapitaal dus een nieuwe gelegenheid vindt om meerwaarde zowel te produceren als te realiseren. We hebben al geconstateerd, dat de uit de arbeiders geperste indirecte belastingen worden gebruikt om de ambtenarensalarissen te betalen en in het onderhoud van het leger te voorzien, en daarbij bleek dat de “besparing” op de consumptie van de arbeidersklasse economisch gezien ertoe leidt, dat de kosten van de persoonlijke consumptie van de aanhang van de kapitalistenklasse en de werktuigen van haar klasseheerschappij van de kapitalisten op de arbeiders, van de meerwaarde op het variabel kapitaal worden afgewenteld en in dezelfde mate de meerwaarde wordt vrijgemaakt voor kapitaliseringsdoeleinden. Nu zien we hoe het gebruik van van de arbeiders afgeperste belastingen met het oog op de voortbrenging van oorlogsmiddelen het kapitaal een nieuwe accumulatiemogelijkheid biedt. Praktisch werkt het militarisme op basis van de indirecte belastingen in beide richtingen, doordat het ten koste van de normale levensvoorwaarden van de arbeidersklasse niet alleen het voortbestaan van de organen der kapitaalheerschappij, de staande legers, maar ook het meest grandioze accumulatiegebied van het kapitaal veilig stelt.’[14]

Als dit alles klopt, en als we tegelijkertijd met Rosdolsky, op basis van Tugan-Baranowski’s en Otto Bauers schema’s (en op basis van de interne logica van de kapitalistische productiewijze) kunnen constateren, dat het realiseringsprobleem in laatste instantie een realiseringsprobleem is van de in waren van afdeling II vastgevroren meerwaarde, dan is het duidelijk dat de permanente bewapening die moeilijkheid niet op kan lossen.

2. Wapenproductie en de tendentiële daling van de winstvoet

De accumulatiemoeilijkheden, die uit de ontplooiing van de kapitalistische productiewijze voortvloeien, zijn in laatste instantie het gevolg van de (door de stijging van de organische samenstelling van het kapitaal veroorzaakte) tendentiële daling van de gemiddelde winstvoet. Kan de permanente bewapening deze moeilijkheden opheffen? Dit kan duidelijk slechts onder twee voorwaarden het geval zijn.

Ten eerste zou afdeling III een geringere organische samenstelling van het kapitaal moeten hebben dan de afdelingen I en II, d.w.z. dat de permanente bewapening zou moeten leiden tot een daling van de maatschappelijk gemiddelde organische samenstelling van het kapitaal. Dit is onder normale kapitalistische voorwaarden volkomen irreëel. Integendeel, de organische samenstelling van het kapitaal is in afdeling III gewoonlijk hoger dan het maatschappelijk gemiddelde en staat op dezelfde hoogte als die van de met de duurste machines werkende sectoren van de zware industrie van afdeling I. Ook kan er geen sprake van zijn dat de permanente bewapening het constante kapitaal goedkoper maakt.

Ten tweede zou de opkomst van een afdeling III moeten leiden tot een permanente verhoging van de meerwaardevoet — vergeleken met de meerwaardevoet die vóór het bestaan van die afdeling de regel was. Hier moeten we opnieuw twee gevallen onderscheiden:

a. De meerwaardevoet in afdeling III zelf stijgt zo sterk boven het maatschappelijk gemiddelde, dat deze bijdraagt tot een verhoging van het gemiddelde.

Dit zou het geval zijn, wanneer in het boven gebruikte waardeschema de tweede productiecyclus er ongeveer als volgt zou uitzien:

I 126.000c + 51.000v + 51.500m = 229.000     I
II 86.000c + 51.500v + 51.500m = 189.000     II
III 4.000c +   1.000v +   7.000m =   12.000     III


d.w.z. wanneer de oorspronkelijke vorm van afdeling III (4.00c + 4.000v + 4.000m = 12.000) gewijzigd zou worden. De maatschappelijk gemiddelde winstvoet zou dan van 33,3 % tot 34,4 % gestegen zijn, d.w.z. de daling van de winstvoet van de eerste naar de tweede cyclus (van 33,3 % tot 32,3 %) zonder bewapeningsindustrie zou dankzij afdeling III omslaan in een stijging van de winstvoet van 33,3 % tot 34,4 %. Deze stijging is alleen daarom relatief klein, omdat de bewapeningssector maar een zeer gering deel van het maatschappelijk product vormt (in ons cijfervoorbeeld minder dan 3 %). Wanneer het gewicht van de ‘permanente bewapening’ toeneemt (tot ongeveer 10 of 15 % van het bruto nationaal product), dan wordt de stijging van de maatschappelijke winstvoet op grond van de stijging van de meerwaardevoet in afdeling III duidelijker.

Het ligt evenwel voor de hand, dat een dergelijke uitzonderlijke stijging van de meerwaardevoet in afdeling III niet het resultaat kan zijn van een stijging van de relatieve meerwaarde. Die is het gevolg van een toename van de arbeidsproductiviteit in afdeling II, d.w.z. van een daling van de waarde van de waar arbeidskracht (niet te verwarren met het reële loon) doordat een bepaalde hoeveelheid consumptiegoederen nu in een kleiner deel van de normale arbeidsdag voortgebracht kan worden, waardoor de duur van de meerarbeid toeneemt. Een stijging van de relatieve meerwaarde zou dus nooit beperkt kunnen zijn tot afdeling III, maar zou de waarde van de waar arbeidskracht in de hele industrie bepalen.

Waarmee we dus in ons getallenvoorbeeld te maken hebben is een verhoging van de meerwaardevoet in afdeling III, die ontstaat doordat de in die afdeling werkzame arbeidskracht diep onder haar waarde betaald resp. ‘gekocht’ wordt. Onder ‘normale’ kapitalistische voorwaarden is een dergelijke discrepantie onmogelijk; in feite betreft het hier een bijzondere situatie, nl. die waarin de productie van afdeling III voor het grootste deel niet door ‘vrije’ arbeiders, maar door slaven (alle soorten gevangenen) geleverd wordt, zoals dit in de laatste fase van Hitlers oorlogseconomie het geval is geweest. Een dergelijke ‘betaling’ van de arbeidskracht diep onder haar waarde kan slechts een snel dalende arbeidsintensiteit en -productiviteit tot gevolg hebben.[15] Daarmee komen we in een van de normale kapitaalaccumulatie en uitgebreide reproductie volledig verschillende logica terecht, nl. in die van de ingekrompen reproductie, waarin door een roofbouw op de waar arbeidskracht (en later door roofbouw op het maatschappelijke vaste kapitaal) als gevolg van een ziekelijk opgeblazen afdeling III de materiële elementen van de uitgebreide reproductie vernietigd worden.

b. In het tweede geval verhoogt het ontstaan van afdeling III de algemeen-maatschappelijk gemiddelde meerwaardevoet (dus niet de meerwaardevoet van afdeling III alleen). Aangezien het tot stand komen van afdeling III op zichzelf de productie van de relatieve meerwaarde niet kan vergroten, kan deze voorwaarde slechts gerealiseerd worden, wanneer de permanente bewapening door een relatieve daling van de waarde van de waar arbeidskracht betaald wordt (wanneer dus de reële lonen, de fysieke consumptie van de arbeiders, lager zijn dan ze zonder de door de arbeiders voor bewapeningsdoeleinden betaalde permanente belastingen geweest zouden zijn). Dit is het normale geval bij de kapitalistische bewapening, wanneer deze voor een aanzienlijk deel door loon- en indirecte belastingen (prijsstijging van de consumptiegoederen) gefinancierd wordt.

We stuiten echter onmiddellijk op een bezwaar. Wij hebben er al op gewezen dat de bewapeningseconomie uiteraard gekenmerkt wordt door een organische samenstelling van het kapitaal die hoger is dan het maatschappelijk gemiddelde in de afdelingen I en II. Bijgevolg heeft de permanente bewapening een tegenstrijdige uitwerking op de maatschappelijk gemiddelde winstvoet. Doordat ze de gemiddelde organische samenstelling van het kapitaal opdrijft, versnelt ze de tendentiële daling van de winstvoet; aangezien ze een stijging van de meerwaardevoet door toenemende belastingen op de lonen en prijsstijging van de consumptiegoederen impliceert, remt ze de tendentiële daling van de winstvoet. Beide effecten kunnen elkaar opheffen, zodat in laatste instantie, weer onder ‘normale’ kapitalistische voorwaarden, de ontplooiing van de permanente bewapening de schommelingen van de gemiddelde winstvoet tendentieel neutraliseert. Slechts onder ‘abnormale’ voorwaarden van oorlogseconomie en/of fascisme en atomisering van de arbeidersklasse kan de ontplooiing van afdeling III een zo ingrijpende groei van de meerwaardevoet (relatieve of zelfs absolute daling van het loon ondanks hoge werkgelegenheidsgraad) met zich meebrengen, dat ze de door haar veroorzaakte verhoging van de maatschappelijk gemiddelde organische samenstelling van het kapitaal meer dan compenseert.[16] Als we in plaats van een tweede productiecyclus:

Dit volgt uit het feit, dat de meerwaardevoet gestegen is van 100 tot 104,8 %, doordat van het nominale arbeidsloon de tegenwaarde van 5.000 waarde-eenheden afgetrokken wordt via belastingen voor de aankoop van wapens door de staat (in plaats van aankoop van consumptiegoederen door de arbeiders). Hoe groter de omvang van afdeling III en hoe sneller de groei van de maatschappelijk gemiddelde organische samenstelling van het kapitaal, des te sterker de groei van de meerwaardevoet zou moeten zijn zonder toename van de relatieve meerwaarde, om de anders onvermijdelijke daling van de gemiddelde winstvoet op te vangen. Dit zou zeer snel een absolute beperking van de loonsom tot gevolg hebben, hetgeen bij een toenemende werkgelegenheid onder ‘normale’ voorwaarden onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk is. Als bijv. van de tweede naar de derde productiecyclus het totaalmaatschappelijke constante kapitaal met 15 % stijgt van 220.000 tot 253.000 waarde-eenheden, terwijl de waarde van het totale maatschappelijke product met 7,5 % van 430.000 tot 462.250 toeneemt, dan moet, om de gemiddelde winstvoet op 33,3 % te houden, het totale variabele kapitaal van 102.500 tot 93.775 waarde-eenheden dalen. De voortgebrachte meerwaarde krijgt dan deze vorm:

De totale loonsom zou dan niet alleen qua waarde absoluut gedaald zijn, maar het van de arbeiders door belasting op de lonen en door stijging van de levensduurte afgetapte deel van het nominale loon zou tot 21.700 waarde-eenheden, d.w.z. tot ca. 20 % van de zonder die aderlating bereikte loonsom gestegen zijn. Dat dit — zonder fascisme en atomisering van de arbeidersklasse — niet te bereiken is, lijkt ons evident.

We moeten hier de stelling van de Britse econoom Michael Kidron bespreken, dat de bewapening het accumulatieproces op den duur inderdaad vergemakkelijkt, omdat deze de tendentiële daling van de gemiddelde winstvoet zou tegenhouden. Hier volgt Kidrons argumentatie: ‘(Marx’) model is een gesloten systeem, waarin de totale output terugstroomt als input in de gedaante van investeringsgoederen of lonen. Er bestaan geen lekken. Maar in principe zou een lek de groeidwang van zijn belangrijkste consequenties bevrijden. (...) Als “kapitaalintensieve” goederen weggenomen zouden worden, zou de groei (van de organische samenstelling van het kapitaal) trager verlopen, en — afhankelijk van de omvang en de samenstelling van het lek — zelfs beëindigd of omgekeerd kunnen worden. In zo’n geval zou zich geen daling van de gemiddelde winstvoet voordoen, zou er geen reden zijn om zware crises te verwachten, enz. In de praktijk heeft het kapitalisme nooit een gesloten systeem gevormd. Oorlogen en crises hebben ongehoorde hoeveelheden output vernietigd. Andere hoeveelheden zijn gedurende lange perioden door kapitaalexport omgeleid en ingevroren. Sinds de Tweede Wereldoorlog is veel daarvan in de wapenproductie gesijpeld. Iedere lek heeft de groei van de algemene organische samenstelling en de daling van de winstvoet vertraagd.’[17]

De categorie leak (lek) haalt op een verwarrende manier verschillende verschijnselen door elkaar. Crises (slumps) vernietigen kapitaal door devalorisering, en devalorisering van het kapitaal betekent vanzelfsprekend (als de meerwaardevoet gelijk blijft) een stijging van de winstvoet. In het algemeen devaloriseren oorlogen het kapitaal niet (behalve verloren oorlogen, en ook dan slechts als gevolg van de uitwerkingen van die nederlagen); ze zijn slechts te beschouwen als een ‘lek’ dat de tendentiële daling van de winstvoet tegenhoudt, als ze kapitaal vernietigen (d.w.z. devaloriseren, want fysiek vernietigen). Export van kapitaal remt slechts de daling van de gemiddelde winstvoet, als het naar landen geëxporteerd wordt waar de gemiddelde organische samenstelling van het kapitaal lager is. Met andere woorden: in al die gevallen gaat het niet om een of ander mysterieus lek, maar om de klassieke stijging van de winstvoet als gevolg van een daling van de organische samenstelling van het kapitaal, inclusief vernietiging van kapitaal (waardevernietiging, met of zonder fysieke vernietiging).

Waar Kidron het begrip leak op de bewapening toepast, verwart hij klaarblijkelijk het productieproces (als eenheid van arbeids- en valoriseringsproces) en het reproductieproces (dat geen eenheid is van meerwaarderealisering, kapitaalaccumulatie en terugkeer van alle geproduceerde waren in het productieproces). Als het in de verschillende productietakken geïnvesteerde kapitaal gevaloriseerd is en de waren die in zijn bezit zijn tegen hun productieprijs zijn verkocht, heeft dit kapitaal meerwaarde gerealiseerd, en wel onafhankelijk van het feit of de verkochte waren in het reproductieproces opgaan of niet. Dan kan er van ‘devalorisering’ geen sprake zijn. En de in de productie van ‘luxegoederen’ of wapens door het proletariaat geleverde meerarbeid (geproduceerde meerwaardemassa) neemt op dezelfde voet deel aan de verdeling van de totale maatschappelijke meerwaarde als de bij de voortbrenging van productiemiddelen of consumptiegoederen voor de reproductie van de arbeidskracht bestede meerarbeid.

Als Kidron de wapenproductie vergelijkt met crises of oorlogen of met kapitaal-export naar onderontwikkelde landen, zou hij moeten bewijzen, dat die wapenproductie een investering is van kapitaal met een lagere organische samenstelling dan in afdelingen I en II.[18] Dit bewijs kan hij niet leveren. Hij kan dus zijn bewering niet staven, dat permanente bewapening de stijging van de organische samenstelling van het kapitaal en daardoor de daling van de gemiddelde winstvoet zou kunnen remmen.[19] In zijn boek Western Capitalism since the War haalt Kidron in plaats van een bewijs een kroongetuige aan. Ladislaus von Bortkiewicz zou nl. bewezen hebben, dat de organische samenstelling van het kapitaal in afdeling III (bij Von Bortkiewicz ‘luxeproductie’) geen invloed heeft op de gemiddelde winstvoet.[20] Bortkiewicz heeft dat inderdaad beweerd.[21] Maar deze bewering is gebaseerd op een misverstand omtrent het wezen van de productieprijzen, die Bortkiewicz verwart met ‘goudprijzen’. In werkelijkheid zijn de productieprijzen voor Marx geenszins ‘prijzen’ in de gangbare zin van het woord, maar slechts resultaten van de herverdeling van de maatschappelijke meerwaarde tussen de verschillende productietakken. Om tot zijn opvatting te komen moet Bortkiewicz de marxistische stelling dat de som der productieprijzen gelijk is aan de som der waarden, prijsgeven, moet hij m.a.w. in het proces van warencirculatie en nivellering van de winstvoet op mysterieuze wijze waarde (maatschappelijk noodzakelijk bestede arbeidskwanta) laten ‘verdwijnen’ of ‘ontstaan’. Dat betekent een terugkeer tot de door Marx gecorrigeerde onsamenhangende arbeidswaardetheorie van Ricardo. Juist de ontoereikendheid van Ricardo’s analyse van de waarde van de koopwaar en zijn onbegrip voor het wezen van de abstracte, waardescheppende arbeid, verleidde hem tot de conclusie dat alleen een prijsdaling van de levensmiddelen der arbeiders tot een verhoging van de winstvoet kan leiden.[22] — Sraffa, Kidrons andere kroongetuige, volgt hier eveneens Ricardo.

In zijn Theorien über den Mehrwert heeft Marx expliciet kritiek geleverd op het citaat van Ricardo, dat Von Bortkiewicz ter ondersteuning van zijn hypothese heeft aangehaald. Marx citeerde de volgende alinea uit hoofdstuk 7 van Ricardo’s Principles: ‘In dit boek heb ik willen aantonen dat de winstvoet slechts kan toenemen door een daling van de lonen, en dat zich slechts een voortdurende daling van de lonen kan voordoen door een prijsdaling van de levensmiddelen waaraan de lonen besteed worden. Als dus door uitbreiding van de buitenlandse handel of door verbeteringen aan de machines het voedsel en andere noodzakelijke goederen van de arbeiders tegen een lagere prijs op de markt gebracht kunnen worden, zullen de winsten stijgen. Als we in plaats van ons eigen koren te verbouwen, of de kleding en andere noodzakelijke levensmiddelen van de arbeiders te fabriceren, een markt ontdekken waar deze waren goedkoper zijn, zullen de lonen dalen en de winsten stijgen; maar als de waren die door de uitbreiding van de buitenlandse handel of door verbeteringen aan de machines tegen een lagere prijs verkregen worden, uitsluitend door de rijken verbruikt worden, zal de winstvoet niet veranderen. De loonvoet blijft onaangetast als wijn, fluweel, zijde en andere dure waren bijv. met 50 % in prijs dalen, en bijgevolg blijven de winsten onveranderd.’[23] Marx antwoordde daarop: ‘Men ziet, dat deze passage hoogst incorrect is opgesteld. Maar afgezien van die formaliteit is dat alles slechts juist, als men in plaats van winstvoet “meerwaardevoet” leest, zoals in heel dit onderzoek van de relatieve meerwaarde. Zelfs bij luxewaren kan de technische vooruitgang de algemene winstvoet verhogen, daar de winstvoet in die sectoren, zoals in elke andere sector, deelneemt aan de nivellering van alle bijzondere winstvoeten tot de gemiddelde winstvoet. Indien in zulke gevallen door de genoemde invloeden de waarde van het constante kapitaal daalt ten opzichte van het variabele, of de lengte van de rotatietijd afneemt en er dus een wijziging in het circulatieproces optreedt, dan stijgt de winstvoet. Verder wordt de invloed van de buitenlandse handel zeer eenzijdig opgevat. Essentieel voor de kapitalistische productie is de ontwikkeling van het product tot waar, een ontwikkeling die wezenlijk verbonden is met de uitbreiding van de markt, met de schepping van de wereldmarkt, dus met buitenlandse handel.’[24]

Vervolgens onderzoekt Marx de oorsprong van Ricardo’s fout, die gelijk te stellen is met de fout van Kidron en Von Bortkiewicz: ‘Als de arbeidsdag gegeven is (...), dan is de algemene meerwaardevoet, d.w.z. de graad van meerarbeid gegeven, daar het arbeidsloon gemiddeld hetzelfde is. Dit heeft Ricardo in zijn hoofd. En hij verwisselt die algemene meerwaardevoet met de algemene winstvoet. (Bortkiewicz heeft de algemene meerwaardevoet niet eens begrepen, hij wijzigt de meerwaardevoet door de omvorming van waarden in prijzen in het circulatieproces. E.M.) Ik heb aangetoond, dat bij dezelfde algemene meerwaardevoet de winstvoeten in de verschillende productietakken volkomen verschillend moeten zijn, willen de waren tegen hun respectieve waarde verkocht worden. De algemene winstvoet ontstaat doordat de totaal voortgebrachte meerwaarde op het totale kapitaal van de maatschappij (kapitalistenklasse) berekend wordt, doordat dus ieder kapitaal in iedere bijzondere productietak voorgesteld wordt als proportioneel deel van een totaal kapitaal van dezelfde organische samenstelling, zowel wat de samenstelling uit constant en variabel als uit circulerend en vast kapitaal betreft. (...) Het is duidelijk, dat voor de uiteindelijke realisering van de algemene winstvoet de omvorming van de waarden in de daarvan verschillende productieprijzen nodig is. Ricardo veronderstelt omgekeerd de identiteit van waarden en productieprijzen, omdat hij winstvoet en meerwaardevoet verwart. Daarom heeft hij niet het flauwste benul van de algemene verandering, die zich in de prijzen der waren als gevolg van de totstandkoming van een algemene winstvoet voordoet, alvorens er van zo’n algemene winstvoet sprake kan zijn. Hij neemt de pre-existentie van die winstvoet aan, die bij hem dus zelfs deel heeft aan de bepaling van de waarde.’[25] En verder: ‘Door zijn volkomen onjuiste opvatting over de winstvoet begrijpt Ricardo de invloed van de buitenlandse handel, als daarna het levensonderhoud van de werkgevers niet rechtstreeks in prijs verlaagd wordt, volledig verkeerd. Hij ziet niet in van welk enorm belang het bijv. voor Engeland is, de industrie van goedkope grondstoffen te voorzien, en dat in dit geval, hoewel de prijzen dalen, de winstvoet stijgt, terwijl in het omgekeerde geval een prijsstijging de winstvoet kan doen dalen, zelfs wanneer in beide gevallen het arbeidsloon hetzelfde blijft. (...) De winstvoet is niet afhankelijk van de prijs van de afzonderlijke waren, maar van de massa meerarbeid die met een gegeven kapitaal gerealiseerd kan worden. Ricardo miskent ook in andere opzichten het belang van de markt, omdat hij het wezen van het geld niet begrijpt.’[26]

Voor Marx is de abstracte arbeid waardescheppend, d.w.z. de arbeid die onafhankelijk van de specifieke gebruikswaarde die hij voortbrengt, als deel van het totaalmaatschappelijke arbeidsvermogen een waar produceert, die op de markt een equivalent vindt, d.w.z. in een maatschappelijke behoefte voorziet. Of dit een behoefte van de arbeiders of van de kapitalisten, van de staat of van niet-kapitalistische producenten is, blijft vanuit het standpunt van de waardevorming gelijk. Bijgevolg wordt de totale omvang van de waardeproductie door de totale omvang van de warenproductie bepaald, onafhankelijk van de specifieke gebruikswaarde (en derhalve ook onafhankelijk van de specifieke plaats ten opzichte van het reproductieproces) van de afzonderlijke waren. En bijgevolg is de maatschappelijke winstvoet afhankelijk van de totale massa onbetaalde arbeid, meerarbeid, die door het maatschappelijk kapitaal in de warenproductie in beweging werd gezet, en onafhankelijk van de sector waarin dit plaatsvond. Als door de stijging van de organische samenstelling van het kapitaal in een bepaalde sector (bijv. in de wapenproductie) de totale som van het kapitaal toeneemt vergeleken met een gelijk gebleven massa meerarbeid, dan daalt de maatschappelijk gemiddelde winstvoet, onverschillig wat de verhouding tussen productieve en onproductieve consumptie of tussen consumptie en accumulatie ook zijn mag. Als door vermindering van het constante kapitaal of door toename van de meerwaardemassa de waarde van het maatschappelijke totaalkapitaal daalt in vergelijking met de totale massa meerarbeid die het in beweging zet, dan stijgt de maatschappelijke winstvoet, en wel onafhankelijk van een eventuele verandering in de verhouding tussen de verschillende categorieën van geproduceerde gebruikswaarden. In die zin kan de expansie van afdeling III als productie van bewapeningsgoederen de maatschappelijke winstvoet slechts in de zin van een verhoging (of een geremde daling) beïnvloeden, wanneer die afdeling ofwel een lagere organische samenstelling van het kapitaal heeft dan de andere takken van de warenproductie (hetgeen duidelijk niet het geval is), ofwel direct of indirect de meerwaardevoet sterker verhoogt dan zonder die afdeling het geval zou geweest zijn (wat, zoals aangetoond, slechts onder zeer bepaalde voorwaarden mogelijk is).[27]

3. Wapenproductie en de valoriseringsmoeilijkheden van het kapitaal

Een derde fundamentele tegenspraak van de kapitalistische productiewijze, die vanaf een bepaalde rijpingsgraad van die productiewijze aan het licht treedt, is de moeilijkheid om het kapitaal te valoriseren, d.w.z. het fenomeen van de niet meer productief te investeren surpluskapitalen. Dit is in de ontwikkelde kapitalistische landen sinds het begin van het imperialistische (monopoliekapitalistische) tijdperk een feit, dat zich vooral tussen 1913 en 1940 (1945) manifesteert. En hier wordt de specifieke functie van de permanente bewapening — in tegenstelling tot die hypothesen die in de bewapening hoofdzakelijk een middel zien om de realiseringsproblemen te boven te komen of de daling van de gemiddelde winstvoet te remmen — pas volledig duidelijk.

Laat ons aannemen, dat de totale maatschappelijke productie voor een bepaalde periode 400.000 waarde-eenheden vertegenwoordigt, terwijl tegelijk 60.000 waarde-eenheden braakliggend kapitaal voorhanden zijn. De productie heeft de volgende waardestructuur:

Laat ons ook aannemen, dat van de 75.000m (37.500 in elke afdeling), die onproductief door de kapitalisten geconsumeerd worden, een bepaald deel, bijv. 3.000, de rente vertegenwoordigt die het braakliggende kapitaal van 60.000 als aan-

deel in de totaalmaatschappelijke meerwaarde oplevert.[28] Als die 60.000 nu geleidelijk in afdeling III geïnvesteerd worden en zelf een gemiddelde winstvoet van 33 % opleveren (d.w.z. zoveel arbeiders in beweging zetten, dat de meerwaardemassa met 20.000 verhoogd wordt), vindt vanuit kapitalistisch standpunt een economische expansie plaats. Het totale geïnvesteerde kapitaal is toegenomen. Omvang en waarde van de warenproductie zijn gestegen. De geproduceerde meerwaardemassa is gestegen. De werkgelegenheid is gestegen. Het nationale inkomen is hoger dan tevoren. Zolang ongebruikte reserves in de economie voorhanden zijn — en dat is de uitgangspositie van de ‘permanente bewapening’ — ontstaan geen bijzondere problemen uit de specifieke gebruikswaarde van de extra productie van 80.000 waarde-eenheden (d.w.z. uit het feit, dat de in afdeling III geproduceerde goederen noch voor de reconstructie en uitbreiding van het constante kapitaal, noch voor de reconstructie en uitbreiding van de levende arbeidskracht dienen). De vergelijking Ic + Iv + Im = Ic + IIc + IIIc +Δc (I + II + III) is dan niet dwingend, daar het aanvullende, in afdeling III aangewende kapitaal niet noodzakelijk nieuw geschapen productiemiddelen hoeft te gebruiken, maar bestaande en niet volledig benutte productiecapaciteiten absorbeert (resp. de nieuw geschapen productiemiddelen voor zich reserveert en de lopende productie van productiemiddelen voor afdeling II toch kan realiseren door een vollediger benutting van bestaande productiecapaciteiten, de absorptie van bestaande grondstoffenvoorraden enz.). Op die manier is een tweede productiecyclus

I 120.000c + 50.000v + 50.000m = 220.000 I
II 80.000c + 50.000v + 50.000m = 180.000 II
III 45.000c + 15.000v + 15.000m = 75.000 III

zeker mogelijk, en zou zich zelfs tot een derde productiecyclus

I 126.000c + 51.500v + 51.500m = 229.000 I
II 84.000c + 51.500v + 51.500m = 187.000 II
III 50.000c + 18.000v + 18.000m = 86.000 III

kunnen ontwikkelen, zonder dat de totale waarde van het uitgegeven constante kapitaal (245.000 waarde-eenheden in de tweede, 260.000 in de derde cyclus), plus de voor de accumulatie van het constante kapitaal benodigde waarden, uitsluitend uit de lopende productie van het constante kapitaal (220.000 in de tweede, 229.000 in de derde cyclus) vervangen zouden moeten worden.

Evenmin hoeft de accumulatie van het kapitaal volledig uit de lopende meerwaardeproductie en -realisering tot stand te komen, omdat het versnelde expansieproces ontstaan is uit de valorisering van een al bestaand, vroeger niet gevaloriseerd geldkapitaal. Als het totale surpluskapitaal niet ineens, maar slechts stapsgewijze naar de productie van afdeling III wordt overgeheveld, kan een versnelde kapitaal-accumulatie plaatsvinden, die de grenzen van de lopende meerwaardeproductie en -realisering overschrijdt tot tenslotte het hele surpluskapitaal in de valorisering betrokken wordt. Dat betekent, dat de totale waarde van het lopend verbruikte constante kapitaal gedeeltelijk door de opnieuw in de circulatie en de productie betrokken surpluskapitalen vergoed kan worden, juist zoals een deel van de supplementair aangewende machines en grondstoffen niet uit de lopende productie, maar uit de niet-gebruikte voorraden afkomstig is. Maar de totale warenwaarde wordt volledig gerealiseerd en geen enkele warenbezitter verkoopt zijn waren onder hun waarde. Zodra men de fictie opgeeft dat er in elk van die drie afdelingen slechts één enkele kapitalistische firma bestaat en men zich bijv. de heropleving van de productie in bestaande, vroeger tijdelijk stilgelegde bedrijven voorstelt, brengt die inschakeling van surpluskapitalen in de kringloop geen begripsmatige moeilijkheden die in botsing komen met de logica van de reproductieschema’s.

Het surpluskapitaal wordt slechts dan weer productief geïnvesteerd, als een ‘rendabele’ afzet gewaarborgd is. Die extra vraag wordt in eerste instantie door de staat (gedeeltelijk door belastingen en gedeeltelijk door leningen) in het leven geroepen. Hier heeft Kozlik[29] gelijk. Voor zover de warenproductie en het inkomen dat in die productie ontstaat zich daardoor uitbreiden, kan de inflatie inderdaad een werkelijke economische groei tot stand brengen (zolang er voldoende reserves aan machines, grondstoffen en arbeidskrachten zijn). Kozlik vergist zich echter, als hij van een ‘vernietiging’ van kapitaal in de bewapeningseconomie spreekt. Want kapitaal dat gebruikt wordt om meerwaarde voort te brengen en voorheen braak lag is niet alleen niet ‘vernietigd’, maar gevaloriseerd.

Evenmin kunnen we Horst Heininger volgen, als hij stelt dat ‘marxistische en de laatste tijd ook een groeiend aantal burgerlijke economen en politici juist het bewijs leveren, dat de bewapeningswedloop de economische groei niet bevordert, maar uiteindelijk (?) verregaand ondermijnt.[30] Deze argumentatie gaat volledig voorbij aan het centrale probleem van de surpluskapitalen.[31]

De fundamentele moeilijkheid treedt echter weer op zodra de bestaande reserves aan machines, grondstoffen, arbeidskrachten enz. allemaal in het productieproces zijn geabsorbeerd. Dan moeten nl. weer proportionaliteitsformules van kracht zijn, die ervan uitgaan dat iedere afdeling slechts voor dezelfde waarde aan waren van de andere kan aankopen als ze zelf aan die afdelingen verkocht heeft. Dat betekent dat de waarde van de in afdeling III geproduceerde waren volledig betrokken moet worden uit afhoudingen van de totaalmaatschappelijke meerwaarde en het totaalmaatschappelijk arbeidsloon. Als we gemakshalve aannemen, dat de staat arbeidsloon en meerwaarde even zwaar belast (= x of bijv. 25 %), dan krijgen we de volgende formule:

III =Ivx + Imx + IIvx + IImx + IIIvx + IIImx.

We kunnen de waarde van III ook volledig uitschrijven:

IIIc + IIIv + IIIm = Ivx + Imx + IIvx + IImx + IIIvx + IIImx, waaruit volgt:

IIIc + IIIv(1-x)+ IIIm(1-x) = Ivx + Imx + IImx,

of, als x = 25 %:

IIIc + 75 % van IIIv + 75 % van IIIm = 25 % van Iv + 25 % van Im + 25 % van IIv + 25 % van IIm.

Met andere woorden: voor het evenwicht van het systeem moet de permanente bewapeningsproductie zulk een omvang hebben, dat de waardesom van het in de bewapeningssector uitgegeven constante kapitaal plus het netto loon van de in die afdeling werkzame arbeiders plus de netto winst van de wapenfabrikanten niet hoger en niet lager is dan de belastingen op de inkomens van de arbeiders en kapitalisten van de twee andere afdelingen. De klassieke proportionaliteitsvergelijking, die zich beperkt tot de beide afdelingen I en II, wordt dan als volgt genuanceerd:

Ic + Iv + Im = Ic + IIc + IIIc + Im(I — x)β + IIm(I — x)β + IIIm(I — x), waaruit volgt:

Iv + Imx + Im(I-x)α,γ = IIc + IIIc + IIm(1-x)β + IIIm(I-x)β, d.w.z. het bruto loon van de in afdeling I werkzame arbeiders en de totale in die afdeling geschapen meerwaarde die niet in nieuw constant kapitaal belegd wordt (inclusief de belastingen, dus bruto meerwaarde), moeten gelijk zijn aan de in de productie van de twee andere afdelingen geschapen vraag naar nieuwe productiemiddelen. Daar die vraag zowel in afdeling II als in afdeling III ontstaat, is de vergelijking in feite van kracht voor het bruto loon en de bruto meerwaarde en niet voor het netto loon en de netto meerwaarde (met uitzondering van de in c geaccumuleerde meerwaarde), die slechts tegen waren uit afdeling II en niet tegen die uit afdeling III geruild moeten worden.

Dat deze evenwichtsvoorwaarden bij een intensievere technische vooruitgang, verhoging van de organische samenstelling van het kapitaal en toename van de meerwaardevoet precies als in een systeem met twee afdelingen noodzakelijk vernietigd worden, volgt uit de interne logica van het systeem, zoals in het eerste deel van dit hoofdstuk is aangetoond. De belasting op de loon- en meerwaardesom is immers een epifenomeen, dat de volledige realisering van de meerwaarde resp. de volledige uitbetaling van de loonsom vooronderstelt, d.w.z. een proportionele productie in de afdelingen I en II, d.w.z. geen onverkoopbaar warenresidu. Maar er komt nog een andere moeilijkheid bij, nl. dat de proportionaliteit tussen afdeling III enerzijds en de afdelingen I en II anderzijds nauwkeurig bewaard moet blijven.

Dit betekent natuurlijk niet, dat de permanente bewapening de economische kringloop slechts zo lang beïnvloedt als er overtollig kapitaal, braakliggende arbeidsmiddelen en werkloze arbeidskrachten bestaan. Ook na het tot stand komen van de volledige werkgelegenheid kan deze een aanzienlijke invloed uitoefenen, zowel in een zogenaamde oorlogseconomie (als de wijziging van de proporties tussen de drie afdelingen de uitgebreide reproductie van de materiële elementen niet meer voldoende kan waarborgen en er bijv. een cyclus van ingekrompen reproductie intreedt) als onder ‘normale’ omstandigheden (als de permanente bewapening de verhouding tussen totaalmaatschappelijk arbeidsloon en totaalmaatschappelijke meerwaarde verandert, d.w.z. tot een stijging van de maatschappelijke meerwaardevoet leidt). Bij een toename van de werkgelegenheid en een stijging van de loonsom (niet alleen van de bruto, maar ook van de netto loonsom) kan dit zeker het geval zijn, zoals blijkt uit de volgende cijfervoorbeelden:

Eerste cyclus (bruto inkomen van de maatschappelijke klassen)

I 120.000c + 48.500v + 48.500m
II 80.000c + 48.500v + 48.500m
III 10.000c +   3.000v +   3.000m
    100.000 100.000

De aankoop van de bewapeningsproductie voor een totale waarde van 16.000 waarde-eenheden geschiedt door een belasting van 10 % op het arbeidersinkomen en van 6 % op de meerwaarde (het inkomen van de kapitalisten). De eerste productiecyclus gaat er dan uiteindelijk als volgt uitzien:

Eerste cyclus (netto inkomen van de maatschappelijke klassen)

I 120.000c + 43.650 netto-v + 45.590 netto-m + 7.760 belastingen om III aan te kopen

II 80.000c + 43.650 netto-v + 45.590 netto-m + 7.760 belastingen om III aan te kopen

III 10.000c + 2.700 netto-v + 2.820 netto-m + 480 belastingen om III aan te kopen

Tweede cyclus (bruto inkomen van de maatschappelijke klassen)

I 123.000c + 50.000v + 50.000m
II 82.000c + 50.000v + 50.000m
III 12.000c +   4.000v +   4.000m
    104.000 104.000

De aankoop van de bewapeningsproductie voor een totale waarde van 20.000 waarde-eenheden geschiedt door een belasting van 12 % op het arbeidersinkomen en van slechts 7 % op het inkomen van de kapitalisten. Het uiteindelijke beeld van de waarde- en inkomensverdeling in de tweede cyclus wordt dan als volgt:

Tweede cyclus (netto inkomen van de maatschappelijke klassen)

I 123.000c + 44.000 netto-v + 46.400 netto-m + 9.600 belastingen om III aan te kopen
II 82.000c + 44.000 netto-v + 46.400 netto-m + 9.600 belastingen om III aan te kopen
III 12.000c +   3.500 netto-v +   3.700 netto-m +    800 belastingen om III aan te kopen
  91.500 96.500 20.000  

De bruto loonsom is van de ene op de andere cyclus met 4.000 waarde-eenheden gestegen; de netto loonsom is eveneens met 1.500 waarde-eenheden gestegen. En toch is de maatschappelijke meerwaardevoet gestegen van 104,4 % tot 105,5 %. Overigens betekent de permanente bewapening een herverdeling van de winst ten gunste van de bewapeningsconcerns, die vooral (zo niet uitsluitend) concerns uit afdeling I zijn, en in het nadeel van de concerns uit afdeling II. Als we veronderstellen dat de concerns die zich met de productie van afdeling III bezighouden, slechts uit afdeling I afkomstig zijn, dan is de netto meerwaarde die ze in de eerste cyclus behalen (48.410 waarde-eenheden) bijna gelijk aan de bruto meerwaarde van afdeling I, en in de tweede cyclus (50.100 waarde-eenheden) hoger dan de bruto meerwaarde van afdeling I zowel in de eerste als in de tweede cyclus.[32] De kapitalistische bewapeningsonkosten worden dus vanaf de tweede cyclus uitsluitend door de kapitalisten van afdeling II gedekt, terwijl de bewapeningsonkosten die de arbeidersklasse betaalt vrijwel identiek zijn aan een verhoging van de meerwaardevoet. De kapitalisten van afdeling I hebben dus dubbel baat gehad bij de bewapening — ten koste van de arbeidersklasse en ten koste van de kapitalisten van afdeling II. Hier blijkt, hoezeer Rosa Luxemburg gelijk had toen ze schreef: ‘Wat anders als spaargeld van de boeren en van de kleine middenstand opgepot zou worden om in banken en spaarbanken het naar belegging strevende kapitaal te vergroten, wordt omgekeerd nu in het bezit van de staat een vraag en een investeringsmogelijkheid voor het kapitaal. Voorts komt nu een grote, uniforme en compacte vraag van de zijde van de staat in de plaats van een zeer heterogene, versplinterde en qua tijdstip niet gecoördineerde vraag, die veelal door de eenvoudige warenproductie te bevredigen zou zijn en dus niet in aanmerking komt voor kapitaalaccumulatie. De bevrediging van de vraag van de staat veronderstelt echter van meet af aan een grootindustrie op het hoogste niveau, dus gunstige voorwaarden voor accumulatie en meerwaardeproductie. In de vorm van militaristische staatsopdrachten wordt de tot een geweldige omvang geconcentreerde koopkracht van de consumentenmassa bovendien onttrokken aan de willekeur en de subjectieve schommelingen van de persoonlijke consumptie en krijgt daarmee een vrijwel automatische regelmaat en een ritmische groei. Tenslotte bevindt de hefboom van die automatische en ritmische beweging van de militaristische kapitaalproductie zich in de handen van het kapitaal zelf — via het apparaat van de parlementaire wetgeving en de pers, die bestemd is voor de vorming van de zogenaamde publieke opinie. Daarom lijkt dit specifieke accumulatiegebied op het eerste gezicht een onbegrensd expansievermogen te bezitten. Terwijl iedere andere uitbreiding van de afzet en de operatiebasis van het kapitaal sterk afhangt van historische, sociale en politieke momenten die buiten de wil van het kapitaal om werkzaam zijn, vormt de productie voor het militarisme een gebied waarvan de regelmatige en schoksgewijze uitbreiding in eerste instantie van de wil van het kapitaal zelf lijkt af te hangen.’[33]

Paul Mattick aarzelt tussen verschillende interpretaties. Aan de ene kant beweert hij, dat ‘door de staat veroorzaakte productie’ (incl. wapenproductie) slechts de consumptie en niet de kapitaalaccumulatie verhoogt.[34] Maar elders stelt hij vast, dat oorlogsproductie geen simpele ‘verkwistingsproductie’ is maar het accumulatieproces weer op gang brengt.[35] In zijn kritiek op Baran en Sweezy’s Monopoly Capital wordt hij nog duidelijker: ‘Wat doet de staat in werkelijkheid, als hij arbeid en ongebruikte hulpbronnen verenigt voor de productie van goederen waarvoor geen markt (?) bestaat? De belastingen zijn een deel van het door markttransacties gerealiseerde inkomen; als deze aan het kapitaal onttrokken worden, verlagen ze de winst, ongeacht of deze winsten nu geconsumeerd of in additioneel kapitaal geherinvesteerd zouden zijn. Als dat niet zou gebeuren, dan zou er ongebruikt kapitaal in monetaire vorm als particuliere geldschat bestaan. In deze eigenschap kan het niet kapitalistisch werkzaam zijn; maar dat kan het evenmin als de staat het gebruikt voor de financiering van de niet-rendabele productie van openbare dienstverlening en staatsverspilling. In plaats van een kapitalistisch zinloze geldschat komt dan een kapitalistisch zinloze (?) productie van goederen en diensten. Er is echter één verschil: terwijl het kapitaal zonder de belastingen een geldschat zou bezitten, wordt deze potentiële geldschat hem onteigend (!) door de belastingheffing ten dienste van openbare uitgaven.’[36]

Mattick schijnt niet te begrijpen, dat de ‘onteigende geldschat’ door wapenproductie, d.w.z. door een arbeids- en valoriseringsproces, voordien ongebruikte arbeidskracht absorbeert, d.w.z. de geproduceerde meerwaardemassa vergroot. Wapenproductie is daarom kapitalistisch geenszins ‘zinloos’, maar stimuleert de kapitaalaccumulatie, zolang er niet-gevaloriseerde surpluskapitalen bestaan, resp. zolang er buiten de voor de uitgebreide reproductie van constant kapitaal en arbeidskracht geïnvesteerde kapitalen nog geldkapitaal is. Volgens Matticks logica zou ook de luxeproductie voor de onproductieve particuliere consumptie van de kapitalisten en hun bedienden ‘onteigening’ en ‘verkwisting’ moeten zijn, terwijl Marx die uiteraard beschouwde als een extra meerwaardeproductie, voor zover die kapitalistisch met loonarbeid, d.w.z. als deel van de warenproductie, is geschied.[37]

4. Bewapeningseconomie en de groeikansen op lange termijn van het laatkapitalisme

Wat wij hierboven uiteen hebben gezet verklaart ten dele, waarom de permanente bewapening in de hele periode sinds de Tweede Wereldoorlog niet alleen één van de belangrijkste middelen is geweest om het probleem van de surpluskapitalen op te lossen, maar ook en vooral waarom de versnelling van de technologische vernieuwing juist vanuit de bewapeningsproductie een geweldige impuls heeft gekregen.[38] De bewapeningswedloop met een niet-kapitalistisch complex van staten heeft hierbij een belangrijke rol gespeeld. Maar het probleem is of permanente bewapening op den duur de tendens tot crisis en ineenstorting van de kapitalistische productiewijze kan neutraliseren en een relatief hoog groeitempo kan garanderen. De eerste economen die zich op Marx beriepen en deze vraag positief hebben beantwoord, zijn Natalie Moszkowska (1943) en Walter J. Oakes (1944). Deze laatste heeft dit thema later onder de naam T.N. Vance systematisch behandeld en het begrip ‘permanente oorlogseconomie’ ontwikkeld dat echter opmerkelijk genoeg het eerste werd gebruikt in januari 1944 door de directeur van General Motors en latere minister van defensie Charles E. Wilson.[39]

Moszkowska redeneert als volgt: ‘Het expansieve vermogen van de civiele industrie, de productie van gebruiksvoorwerpen, hangt af van de levensstandaard van een volk. Wordt deze teruggedrongen, dan worden ook de industrieën die productiemiddelen en consumptiegoederen voortbrengen in hun ontwikkeling geremd. De mogelijkheid om kapitaal rendabel te beleggen in de civiele industrie wordt dus binnen nauwe grenzen beperkt. Het kapitaal groeit veel sneller dan de mogelijkheid om het te valoriseren. Het reusachtig groeiende kapitaal reikhalst naar actieterreinen, die onafhankelijk zijn van de ontoereikende koopkracht van het volk; het wenst zich productiegebieden met onbeperkte investeringsmogelijkheden. En juist de oorlogsindustrie wordt voor het kapitaal steeds meer zo’n droomgebied. Daar de productie van gebruiksvoorwerpen zich wegens de beperking van de koopkracht van het volk niet voldoende ontplooien kan, moet het kapitaal — zelfs als het in andere omstandigheden vredelievend zou zijn — zich steeds meer gaan richten op de productie van moordwapens. Onder de gegeven omstandigheden heeft het geen ander werkterrein. Heeft men zich in het opkomende kapitalisme ook aan de vervaardiging van productiemiddelen en consumptiegoederen gewijd: in het neergaande kapitalisme moet noodgedwongen voornamelijk de bewapeningsindustrie worden uitgebouwd. De ontwikkeling van de vredesindustrie wordt meer en meer geremd door het ontbreken van een effectieve vraag en door de stremmingen in de afzet. De ontwikkeling van de oorlogsindustrie kent dergelijke hindernissen niet. De oorlogsindustrie kan zich — als er oorlogsgevaar dreigt — in een heel ander tempo en met een ongehoorde en niet vermoede kracht ontwikkelen.’[40] En verder: ‘Net zoals de toepassing van technische vindingen, betekent het doordringen van het kapitalisme in niet-kapitalistisch gebied slechts uitstel van de crisis. Na de succesvolle opmars van het kapitaal wachten nog zwaardere crises. De zaken verlopen anders wanneer de bewapening de overgeaccumuleerde kapitalen voor zich opeist. Dan worden kapitalen geabsorbeerd zonder dat het productievermogen van de civiele productie van productiemiddelen en consumptiegoederen toeneemt, dus zonder dat het maatschappelijk consumptievermogen hoeft te stijgen. De producten van de bewapeningsindustrie worden immers op de markt gevraagd noch aangeboden. De bewapeningsindustrie levert niet op de markt en is onafhankelijk van zijn absorptievermogen. De opdrachtgever en afnemer is hier de staat. (...) Maar de uitbreiding van de bewapeningsindustrie is geen bescherming tegen de gevaren, die door de kapitalistische economie worden opgeroepen. Het gevaar van een crisisexplosie is nu verruild voor het gevaar van een oorlogsexplosie.’[41] Voor Natalie Moszkowska bestaan er slechts twee grenzen aan de groei var het laatkapitalisme, dat door de permanente bewapeningseconomie wordt aangedreven: de absolute verarming van de bevolking (d.w.z. het punt in de beperkte reproductie waarop de daling van de productie in afdeling II het fysieke herstel van de arbeidskracht onmogelijk maakt en dus een duidelijke daling van de arbeidsproductiviteit en -intensiteit in afdeling III veroorzaakt), en de min of meer onvermijdelijke tendens van de bewapeningseconomie om imperialistische oorlogen te ontketenen.

Voor T.N. Vance is de permanente bewapeningseconomie vooral een middel om een hoog werkgelegenheidsniveau te verzekeren. Groeiende accumulatie van het kapitaal betekent dan niet meer stijging van de werkloosheid, maar daling van de levensstandaard.[42] Ook kan de permanente bewapeningseconomie tijdelijk de groei van de organische samenstelling van het kapitaal tegenhouden, maar niet op de lange duur.[43] De stijging van de organische samenstelling van het kapitaal en de daaruit voortvloeiende tendentiële daling van de gemiddelde winstvoet zijn volgens Vance het ‘zwaard van Damocles’, dat ook boven de permanente bewapeningseconomie hangt.

Vance is dus voorzichtiger dan Moszkowska, maar heeft met haar één fundamentele fout gemeen: ook hij isoleert afdeling III van de gevolgen daarvan voor de afdelingen I en II. Hij onderzoekt niet de resultaten op lange termijn van de ‘permanente bewapeningseconomie’ op het geheel van de laatkapitalistische economie. Afgezien van het grensgeval van de ingekrompen reproductie, d.w.z. de oorlogseconomie in haar eindfase, is het eenvoudig niet juist dat de ‘permanente oorlogseconomie’ zich onbeperkt kan ontwikkelen. In een kapitalistische productiewijze is ook de bewapeningseconomie slechts middel tot een doel en geen doel op zichzelf. Het doel voor de kapitalisten is de realisering van de winst, de accumulatie van kapitaal met winstoogmerken, niet de accumulatie omwille van de accumulatie. Hoe meer de ontplooiing van de bewapeningseconomie de bruto winst van de grote concerns dreigt te verkleinen (d.w.z. hoe hoger de daarmee gepaard gaande belastingvoet), des te sterker wordt de weerstand van die concerns tegen een verdere uitbreiding van de bewapeningseconomie.[44] En daar de expansie van de bewapeningseconomie in ieder geval een herverdeling van de meerwaarde veronderstelt ten voordele van een klein aantal concerns en ten nadele van een groot aantal andere kapitalisten, zou de groei van afdeling III (d.w.z. de groei van de belastingvoet boven een bepaald plafond) de winst van vele kapitalisten doen verdwijnen en een aanzienlijk deel van die klasse met bankroet bedreigen. Iedere groei van de bewapeningseconomie boven een zeker punt moet dus de politieke en sociale spanningen en conflicten binnen de kapitalistenklasse verscherpen, net zoals daardoor de spanningen tussen kapitaal en arbeid onder ‘markt’-voorwaarden van een relatief hoge werkgelegenheid (die juist gunstig zijn voor de arbeidersklasse) werden verscherpt. Men kan concluderen dat, behalve in geval van een totaal geworden oorlog en fascisme, de uitbreiding van de permanente oorlogseconomie interne, objectieve, maatschappelijke grenzen heeft. Als men Moszkowska’s en Vances hypothese buiten beschouwing laat, dat een stijgende werkgelegenheid in de ‘permanente bewapeningseconomie’ verbonden is met een dalende levensstandaard — een hypothese die volledig indruist tegen de logica van het kapitalisme (dat de arbeidskracht verandert in een waar, waarvan de prijs beïnvloed wordt door de verhoudingen op de markt) en die ook door de ontwikkelingen in het Derde Rijk niet bevestigd is; deze auteurs verwarren blijkbaar de stijging van de meerwaardevoet met een daling van het reële loon[45] — dan blijkt direct dat een bewapeningsconjunctuur die de conjuncturele schommelingen van het kapitalisme tijdelijk kan beperken, ook een stimulerende invloed moet hebben op de kapitaalaccumulatie in de afdelingen I en II en daar dan natuurlijk meer of minder duidelijk de klassieke verschijnselen van iedere kapitalistische boom reproduceert: overaccumulatie, daling van de winstvoet, niet-benutte capaciteit enz. We zullen in hoofdstuk 13 aantonen, dat de permanente inflatie een antwoord van het laatkapitalisme op die problemen is, dat de bewapeningsuitgaven echter slechts voor een (steeds geringer) deel voor de inflatoire geldschepping verantwoordelijk zijn, en dat de inflatie op lange termijn naar een catastrofe toesnelt, die door geen bewapeningseconomie is tegen te houden.

In tegenstelling tot Vance zijn wij van mening, dat de permanente bewapeningseconomie de intensieve technologische vernieuwing, d.w.z. de groei van de organische samenstelling van het kapitaal, historisch gezien versnelt en niet remt (Vance zegt op blz. 32 het omgekeerde, omdat hij daar oorlogseconomie met bewapeningseconomie verwart). Het is dan onvermijdelijk, dat die technologische vernieuwing zich van afdeling III uitbreidt tot de afdelingen I en II, met alle gevolgen van dien.[46] En het is eveneens onvermijdelijk, dat zich op het gebied van de bewapeningseconomie zelf met een vertraging van de groei van de bewapeningsuitgaven een verschuiving gaat voordoen tussen aankoop van materiaal en uitbetaling van salarissen enerzijds en research en ontwikkelingsuitgaven anderzijds, hetgeen de ‘crisisverzwakkende’ rol van de bewapeningseconomie in de totale laatkapitalistische economie aanzienlijk verkleint. Want de vertraagde groei van die uitgaven dwingt te zoeken naar ‘toenemende (vernietigings)opbrengsten’ voor iedere nieuwe uitgave.[47] Horst Heininger geeft hierover interessant materiaal:

Uitgaven voor bewapening in de VS (zonder de uitgaven van de ruimtevaartinstanties)     Aandeel van de uitgaven voor militaire research
    in miljarden $  
1939/40 1,5   0,2 %
1944/45 81,2   1,7 %
1952/53 50,4   5,5 %
1957/58 44,2   10,2 %
1960/61 47,5   16,2 %
1962/63 53,0   16,0 %
1963/64 55,4   16,6 % (22,4 % inclusief de ruimtevaart; het vergelijkbare percentage voor 1960/61 zou dan 17,6 % zijn)[48]

Uit de volgende twee reeksen kunnen nog duidelijker conclusies worden getrokken:

Aandeel van de bewapeningsaankopen in de verkoopopbrengsten van de Amerikaanse industrie van duurzame goederen [49]

1955 9,0 % 1961 7,8 %
1958 9,1 % 1962 7,8 %
1960 7,6 %    

Aandeel van het verbruik voor bewapeningsdoeleinden in het totale Amerikaanse verbruik

  1948 1952 1954 1955 1959 1960 1962
staal ? ? 9,7 % 3,0 % 1,8 % 1,2 % 1,5 %
koper ? 17,8 % 6,5 % 2,3 % 1,9 % ? ?
aluminium 6,0 % 30,0 % ? 14,5 % 13,6 % 9,8 % 43,0 %

Kidron stelt eveneens terecht vast: ‘Het bestaan van een plafond voor bewapeningsuitgaven is nog in een ander opzicht van belang. Het is een sterke stimulans om de productiviteit op te voeren (gemeten in potentiële doden per dollar) en leidt tot een toenemende specialisering van de bewapeningsindustrie en het loslaten van civiele productietechnieken. (...) Gekoppeld aan die specialisatie[50] (en deels het gevolg daarvan) is een stijging van de kapitaalintensiteit in de bewapeningsindustrieën. Uit beide momenten volgt, dat de bewapeningsuitgaven, zelfs al blijven ze relatief constant, steeds minder in staat zijn om de volledige werkgelegenheid te handhaven. Hun kracht als nivellerende factor tegenover een dreigende overproductie wordt nog problematischer wanneer de uitgaven dalen en bepaalde technologieën worden overgeheveld naar de civiele productiviteit.’[51]

We kunnen concluderen, dat de ‘permanente bewapeningseconomie’ op den duur geen enkele fundamentele tegenspraak van de kapitalistische productiewijze kan oplossen en geen enkel inherent crisismoment kan uitschakelen. Ook de tijdelijke afzwakking van die tegenspraken en crisismomenten geschiedt slechts door een verplaatsing daarvan uit de ene sfeer naar de andere — vooral uit de sfeer van de feitelijke overproductie naar die van de inflatie en de overcapaciteit. Op lange termijn heeft zelfs die verplaatsing steeds minder succes, zoals we in het hoofdstuk over de permanente inflatie zullen aantonen. De ‘permanente bewapeningseconomie’ heeft een belangrijke bijdrage geleverd tot de versnelde kapitaalaccumulatie in de ‘lange golf’ van 1945 tot 1965, zonder die evenwel fundamenteel te bepalen.

Men mag echter niet van het ene uiterste in het andere vervallen door de gevolgen van de ‘permanente bewapening’ op de laatkapitalistische economie te gaan onderschatten. Deze is zeker geen ‘deus ex machina’ die het mechanisme van de kapitalistische productiewijze op een of andere manier kwalitatief zou kunnen wijzigen. De economische gevolgen daarvan gaan ongetwijfeld uiteindelijk op in al die momenten, die kenmerkend zijn voor het laatkapitalisme: strijd om verhoging van de meerwaardevoet, strijd om prijsverlaging van constant kapitaal, strijd om een versnelde rotatie van het kapitaal, strijd om de valorisering van de surpluskapitalen. Want het kapitaal heeft geen andere mogelijkheden om zijn lot — daling van de winstvoet — op langere termijn te ontlopen. Maar het is ongetwijfeld ook een feit, dat het grootkapitaal om de door Rosa Luxemburg aangegeven reden — en omdat het gebruikswaarden schept die de afzet van geen enkele van de door de afdelingen I en II voortgebrachte waren verminderen of bedreigen[52] (en voor sommige daarvan zelfs een duurzame uitbreiding van de afzet kunnen verzekeren) — een bijzondere voorliefde heeft voor de in de bewapeningsindustrie belegde vorm van staatsuitgaven, vergeleken met alle andere vormen daarvan, voornamelijk de zgn. ‘sociale’ uitgaven, die alle vroeg of laat op een verhoogde waarde van de waar arbeidskracht zouden uitdraaien.[53] In dit verband maakt Francois Perroux een belangrijke opmerking over de economische specificiteit van de productie in afdeling III: ‘De extra vraag naar bewapeningsgoederen kan niet gelijk worden gesteld met een extra vraag naar investeringsgoederen. In een geïndustrialiseerde economie die normaal functioneert, leidt een extra vraag naar investeringsgoederen bij een op het handelsoptimum gehouden voorraad tot extra producten die op de markt afgezet moeten worden en tot de productie van reële kapitaalgoederen. In het geval van bewapeningsproductie wordt een steeds groter deel van de extra productie uiteraard opgeslagen. De atoombommen, de kanonnen, de munitie en de militaire uitrusting van de troepen komen niet op de markt. (...) Afgezien van de gevolgen voor de consumptiegoederensector onttrekt het prijspeil van de bewapeningsgoederen zich aan de evenwichtsherstellende krachten van de markt.’[54]

Daarmee rijzen ingewikkelde problemen inzake de prijsvorming in afdeling III, nl. met betrekking tot de nivellering van de winstvoet (of: monopolistische surpluswinstvoet) tussen de bewapeningsconcerns en de andere monopolies.[55]

Het is wel duidelijk geworden, hoe sterk binnen- en buitenlandse politiek, maatschappelijke en economische momenten bij de opkomst van de ‘permanente bewapeningseconomie’ in elkaar grijpen. Dit maakt de pogingen van degenen die willen bewijzen, dat het politieke en niet het economische moment in die ontwikkeling doorslaggevend geweest is, tamelijk dubieus. De term ‘militair-industrieel complex’, d.w.z. het samengroeien van bewapeningsconcerns, militaire leiders en burgerlijke politici drukt die samenhang uit.[56] Fritz Vilmar stelt terecht dat, ‘niet eenvoudig de partiële belangen van de bewapeningsindustrieën, maar de imperialistische, expansieve tendens (en later de conjuncturele belangen) van het laatkapitalisme zelf de bewapeningseconomie tot in het onmetelijke hebben laten groeien.’[57] De groei van de ‘permanente bewapeningseconomie’ sinds de Tweede Wereldoorlog heeft o.a. ook de zeer concrete functie van bescherming van de reusachtige Amerikaanse investeringen in het buitenland, het open houden van de ‘vrije wereld’ voor ‘vrije kapitaalsinvesteringen’ en ‘vrije repatriëring van de winsten’ en het verzekeren van de ‘vrije’ toegang tot een reeks vitale grondstoffen voor het Amerikaanse monopoliekapitaal.[58] In 1957 verklaarde de voorzitter van de Raad van Bestuur van Texaco op niet mis te verstane wijze, dat de belangrijkste taak van de Amerikaanse regering zou zijn om ‘hier en in het buitenland een politiek en financieel klimaat te scheppen dat (...) buitenlandse investeringen zou begunstigen’.[59] Maar zoals Vilmar benadrukt is het eveneens waar, dat de wapenconcerns in dit proces een bijzonder actieve rol hebben gespeeld.[60] — Ook mag men het groeiende belang van de wapenhandel in de wereldhandel niet onderschatten. Deze handel bewijst terloops gezegd, hoe onzinnig het is de wapenproductie niet als warenproductie en de investeringen in die sector niet als accumulatie van kapitaal op te vatten. In 1955 beliep de totale wapenuitvoer op de wereldmarkt rond $ 2,2 miljard. Het gemiddelde voor 1962-1968 lag al op $ 5,8 miljard, waarvan de Sovjet-Unie ongeveer $ 2 miljard voor zijn rekening nam.[61]

Deze toestand brengt het parasitaire karakter van het monopoliekapitalisme, dat Lenin in zijn imperialismeanalyse al beklemtoond had, nog sterker aan het licht. Want hoe dient men anders een systeem te beschouwen, dat catastrofale economische crises 25 jaar lang alleen kon verhinderen door een aanzienlijk deel van de beschikbare economische rijkdommen te verkwisten aan de voortbrenging van vernietigingsmiddelen?


[1] Zie o.a. Karl Marx, Das Kapital I, p. 779; Josef Kulischer, Allgemeine Wirtschaftsgeschichte II, p. 361; Histoire économique et sociale de la France II, pp. 269-276, 310-321.
[2] George W.F. Hallgarten, Imperialismus vor 1914, p. 53; MEW 14, p. 375; Thomas C. Smith, Political Change and Industrial Development in Japan, p. 4 e.v.; Lockwood, pp. 18-19.
[3] Ernst Kaemmel, Finanzgeschichte, Berlijn 1966, pp. 330-331, 335.
[4] Fritz Vilmar, Rüstung und Abrüstung im Späkapitalismus, p. 28.
[5] UNO, The Economic and Social Consequences of Disarmament, p. 3.
[6] Directe militaire uitgaven maken uitgaven voor veteranen en de NASA onmogelijk. — Voor 1952 tot 1965 komen de cijfers uit: US Department of Commerce, The National Income and Products of the USA 1929-1965. Voor de periode na 1965 komen ze uit de jaarlijkse Statistical Abstracts of the USA. Voor de cijfers over de periode vóór 1952: T.N. Vance, The Permanent War Economy, p. 8. Vances reeks is met de latere niet volledig vergelijkbaar en moet vanaf 1941 ca. 1,5 % hoger liggen dan de latere berekening van het US-Department of Commerce. Vanaf 1960 moest bovendien rekening worden gehouden met de uitgaven van de NASA, die vanaf 1963 aan de genoemde cijfers ongeveer jaarlijks 0,5 tot 0,7 % van het bruto nationaal product toevoegen.
[7] OECD National Accounts, berekend naar wat ieder land als BNP en militaire uitgaven heeft opgegeven. — SIPRI, World Armaments and Disarmaments Yearbook 1972, tabel 4,4 en 4.9.
[8] Michael Tugan-Baranowski heeft deze ‘afdeling III’ voor het eerst gebruikt in zijn boek Studien zur Theorie und Geschichte der Handelskrisen in England (1901), maar deze beperkt tot de productie van luxegoederen (onproductieve consumptie van de kapitalisten) en tot het geval van de eenvoudige reproductie. We hebben in onze Marxistische Wirtschaftstheorie de ‘afdeling III’ als bewapeningssector gebruikt om de mogelijkheid van een dalende reproductie aan te tonen (p. 414 e.v. van de Franse uitgave, Parijs 1962). — Omwille van de begripsmatige duidelijkheid moet benadrukt worden, dat een dergelijke afdeling III uitdrukkelijk beperkt is tot bewapeningsproducten (wapens en munitie). Als het leger dekens of kazernes voor zijn soldaten koopt, spreekt het vanzelf dat daarmee waren uit de afdelingen II en I, en niet waren uit afdeling III worden aangekocht. Wanneer daarentegen machines om wapens te vervaardigen aangekocht worden en de arbeiders die in de bewapeningssector werkzaam zijn van hun arbeidsloon consumptiegoederen kopen, dan worden constant en variabel kapitaal uit afdeling III geruild tegen waren uit de afdelingen I en II. Onze analyse slaat op de gevolgen van die ruil voor de totale economische kringloop, niet op de gevolgen van het militarisme op zichzelf.
[9] Die hypothese heeft Marx bij de behandeling van de reproductie uitdrukkelijk uitgesloten (Das Kapital II, p. 368).
[10] Rosdolsky, Zur Entstehungsgeschichte, p. 358.
[11] Otto Bauer, ‘Die Akkumulation des Kapitals’, in: Die Neue Zeit, 31ste jaargang, deel I, 1913, p. 836.
[12] ‘Een dergelijke ziekelijke uitbreiding van de productie van productiemiddelen, zonder een overeenkomstige verhoging van de maatschappelijke consumptie, zoals onvermijdelijk uit Bauers schema resulteert, is zeker niet te verenigen met de geest van Marx’ theorie. Marx beklemtoonde immers, dat ‘de productie van constant kapitaal nooit plaats vindt omwille van zichzelf, maar alleen omdat er meer van nodig is in die productietakken wier producten voor de individuele consumptie bestemd zijn.’ (Rosdolsky, II, p. 592).
[13] Shigeto Tsuru, Adonde va el capitalismo?, p. 31; Paul A. Baran, Paul M. Sweezy, Monopoly Capital, p. 178; Michael Kidron, Western Capitalism since the War, Londen 1968.
[14] Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, p. 377. Overigens moet de hypothese van een uitsluitend van het arbeidsloon afgetrokken belastinginkomen van de staat als onrealistisch verworpen worden. De belastingen betreffen zowel loon als meerwaarde, en alleen de concrete manier waarop deze de beide bruto inkomens verlagen, d.w.z. hoe zij de verhouding tussen meerwaarde en arbeidsloon veranderen, kan ophelderen of de bewapeningsuitgaven het relatieve loon al dan niet verminderd hebben. Marx bevestigt uitdrukkelijk, dat de staatsuitgaven gedekt worden door belastingen op de loonsom én op de meerwaarde (Theorien über den Mehrwert I, p. 421; Das Kapital I, p. 784). In dezelfde zin schrijft Horst Heiniger dat ‘de staat delen van de inkomens (nl. winst, loon en meerproduct van de eenvoudige warenproducenten) naar zich toetrekt’ en ‘in de bijzondere vorm van de parasitaire staatsconsumptie (...) uitsluitend in het klassebelang van de financiële oligarchie’ aanwendt (Zur Theorie des staatsmonopolistischen Kapitalismus, p. 119 e.v.).
[15] Dit had Rosa Luxemburg begrepen en voorspeld. Vgl. haar voetnoot op p. 377 van Die Akkumulation des Kapitals.
[16] Maar dat kan ook indirect, door de versnelling van de technologische vernieuwing in het algemeen, die ook een versnelde stijging van de arbeidsproductiviteit in afdeling II tot gevolg heeft. Zie de hoofdstukken 5, 7 en 8 van dit boek.
[17] International Socialism, nr. 36, p. 33.
[18] Dit zou de zin van Kidrons opmerking zijn: ‘Voor zover kapitaal belast wordt om bewapeningsuitgaven te schragen, worden daaraan bronnen onttrokken, die anders naar andere investeringen zouden stromen. (...) Een kennelijk resultaat van zulke uitgaven is een hogere werkgelegenheidsgraad en als rechtstreeks gevolg daarvan stijgen de groeivoeten tot de relatief hoogste niveaus. Het dempende effect van een dergelijke belasting is dan ook niet onmiddellijk in te zien, maar is ook niet afwezig. Indien het kapitaal aan zichzelf zou worden overgelaten en in staat zou zijn om zijn totale, niet belaste winst te investeren, terwijl de staat (zo nodig en op de vereiste manier) een vraag zou scheppen, zouden de groeivoeten veel hoger liggen’ (Western Capitalism since the War, herziene uitgave, Pelican Books, 1970, p. 49). De bewapeningseconomie als factor, die de laatkapitalistische groei vertraagt, kunnen we als waarlijk verbazingwekkende ontdekking geheel voor rekening van Kidron laten. In die algemene discussie vergeet hij het relationele aspect, de verhouding. Alleen als de winstvoet in de bewapeningsindustrie hoger ligt dan in de afdelingen I en II, kan de stroom van economische rijkdommen naar afdeling III de daling van de gemiddelde winstvoet remmen. Alleen als de accumulatie van het kapitaal in afdeling III trager verloopt dan in de afdelingen I en II, betekent die stroom een vertraging van de gemiddelde accumulatie- en groeivoet. De productie van bewapeningsgoederen is een kapitalistische, met winstoogmerken ondernomen warenproductie en hoegenaamd geen vorm van vernietiging van waarden of kapitalen.
[19] Chris Harman beweert, dat het wegvloeien van kapitaal naar afdeling III aan de afdelingen I en II kapitaal onttrekt dat, indien het daar geïnvesteerd zou zijn, de organische samenstelling van het kapitaal verhoogd zou hebben (Paul M. Sweezy heeft iets dergelijks beweerd in The Theory of Capitalist Development, p. 233). Dat klopt. Maar hij vergeet, dat de investering van kapitaal in afdeling III die organische samenstelling eveneens doet stijgen. Hoe dit dan de daling van de winstvoet kan tegenhouden, blijft een raadsel (International Socialism, nr. 41, p. 39). Tony Cliff (Russia — A Marxist Analysis, p. 174) had al gezinspeeld op de stelling, dat een oorlogseconomie de hindernissen voor de kapitalistische productie verkleint, net als overproductiecrises — d.w.z. door ontwaarding en vernietiging van kapitaal, door vertraging van de accumulatie. Andere vertegenwoordigers van diezelfde school beweren dat meerwaarde, die voor de aankoop van wapens gebruikt wordt, geen geaccumuleerde meerwaarde is. Dat klopt eveneens. Maar meerwaarde, die gebruikt wordt om wapenfabrieken op te richten en om wapens te produceren, is zonder enige twijfel geaccumuleerde meerwaarde. De aankoop van wapens wordt altijd voorafgegaan door de productie van wapens als productie van waren. Dit is de aanhangers van de school van de ‘permanente bewapeningseconomie’ (als middel om de interne tegenspraken van de kapitalistische productiewijze te verzachten) ontgaan.
[20] M. Kidron, Rüstung und wirtschaftliches Wachstum, Frankfurt 1971, p. 67.
[21] L. von Bortkiewicz, ‘Zur Berichtigung der Grundlagen der theoretischen Konstruktion von Marx im Dritten Band des “Kapital”, in: Jahrbücher für Nationalökonomie und Statistik, juli 1907, p. 327.
[22] Ricardo heeft het tweeledige karakter van de arbeidskracht als tegelijkertijd waardebehoudend en waardescheppend niet begrepen. Daarom heeft hij, net als Adam Smith, het onderscheid tussen meerwaardevoet en winstvoet niet begrepen. Daaruit vloeit voor hen — evenals voor Sraffa — logisch voort, dat alleen een stijging van de waarde van de arbeidskracht (en niet een verhoging van de organische samenstelling van het kapitaal) de winstvoet (voor hen gelijk aan de meerwaardevoet) kan verlagen. De meerwaardevoet daalt en stijgt natuurlijk slechts als functie van de ontwikkeling in afdeling II (d.w.z. in de afdeling van de door de arbeiders verbruikte consumptiegoederen, die dienen voor de reproductie van de waar arbeidskracht), als de arbeidsdag en de waarde van de waar arbeidskracht constant blijven. De winstvoet hangt daarentegen eveneens af van de ontwikkeling van de organische samenstelling van het kapitaal.
[23] K. Marx, Theorien über den Mehrwert II, p. 146 (wij cursiveren).
[24] Idem, pp. 147-148 (wij cursiveren).
[25] Idem, pp. 160-161.
[26] Idem, p. 165 e.v.
[27] Een goede weerlegging van Von Bortkiewicz’ en Sraffa’s neoricardiaanse ‘oplossing’ van het probleem van de transformatie van waarden in productieprijzen is te vinden bij David Yaffe, ‘Value and Price in Marx’ Capital’, in: Revolutionary Communist, nr. 1, januari 1975.
[28] Op het probleem, waarom de eigenaars van het productieve kapitaal gedwongen kunnen worden, een deel van de meerwaarde die ze bezitten aan de eigenaars van braakliggend kapitaal af te staan, kan hier niet in detail worden ingegaan. Het houdt verband met het complexe karakter van de arbeidsverdeling binnen de kapitalistische klasse en met de voordelen die deze toestand voor het productieve kapitaal op lange termijn structureel oplevert. Laat ons gemakshalve aannemen, dat de productieve kapitalisten deze rente betalen omdat ze het braakliggende kapitaal als een maatschappelijk reservefonds beschouwen, waar ze in tijden van nood op kunnen en moeten teruggrijpen.
[29] Adolf Kozlik, Der Vergeudungskapitalismus, pp. 337-340.
[30] Zur Theorie des staatsmonopolistischen Kapitalismus, p. 107.
[31] Het is duidelijk, dat deze zwenking van de officiële CP-ideologen na het einde van de ‘koude oorlog’ van ideologische en niet van theoretische aard was. Het kwam erop aan te bewijzen, dat de ontwapening in het monopoliekapitalisme mogelijk is, omdat de Sovjetdiplomatie die ontwapening wenste.
[32] Hoe realistisch die veronderstelling is, blijkt uit het feit dat (volgens officiële Amerikaanse bronnen) in het begrotingsjaar 1958-1959 van alle leveringen aan het ministerie van defensie (in totaal een bedrag van $ 22,7 miljard) slechts ca. 2 miljard uit de lichte industrie (de bouwnijverheid inbegrepen!), 1,8 miljard uit de dienstensector en alle andere leveringen van firma’s uit afdeling I afkomstig waren (US Congress, Background Material on Economic Aspects of Military Procurement and Supply). Volgens de OECD-studie Government and Technical Innovation (p. 27) nam de ‘staatsmarkt’ in de VS tegen het einde van de jaren ’50 9/10 van de ‘uiteindelijke vraag’ in de vliegtuigbouw, 3/5 van die in de non-ferrometalen, meer dan 50 % van die in de elektronische en chemische industrie en meer dan 35 % in de telecommunicatie en in de industrie van wetenschappelijke apparaten voor zijn rekening.
[33] Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, pp. 378-379.
[34] Marx and Keynes, pp. 117-118.
[35] Idem, pp. 127-128.
[36] F. Hermanin, K. Monte, C. Rolshausen (eds.), Monopolkapital. Thesen zu dem Buch von Paul A. Baran und Paul M. Sweezy, Frankfurt 1969, pp. 54-55 (Nederlandse vertaling: Van Gennep, Amsterdam 1971, p. 55).
[37] K. Marx, Das Kapital II, pp. 402-409.
[38] S. Tsuru, p. 33; James O’Connor, p.113.
[39] Fred J. Cook, Les vautours de la guerre froide, p. 87.
[40] Natalie Moszkowska, Zur Dynamik des Spätkapitalismus, pp. 117-118.
[41] Idem, pp. 179-180.
[42] Het is duidelijk dat Vance zich op dit punt vergist heeft, evenals in zijn veronderstelling van een duurzame structurele daling van de export van privékapitaal (Permanent War Economy, p. 12).
[43] Idem, p. 32.
[44] Een zeer typisch voorbeeld wordt aangehaald door Fred J. Cook (p. 192 e.v.). Niemand minder dan de gewezen opperbevelhebber van de Amerikaanse troepen in de Stille Oceaan en tijdens de oorlog in Korea, generaal Douglas MacArthur, deed er, toen hij directeur was geworden van het Remington Randconcern, in een redevoering voor de aandeelhouders van de Sperry Rand Corp. in 1957 zijn beklag over, dat de ‘permanente angstpsychose’ die de Amerikaanse regering bij de bevolking gewekt had, slechts diende om ‘zeer hoge uitgaven voor verdediging’ los te krijgen, die de ondernemers ondraaglijk zouden belasten.
[45] In hoofdstuk 5 hebben we gewezen op de sterke stijging van de meerwaardevoet in het Derde Rijk. Maar de daling van de werkloosheid leidde tussen 1933 en 1942 tot een stijging van de nominale uurlonen met ca. 25 %, voor het grootste deel geneutraliseerd door de toenemende kosten voor het levensonderhoud, de kwaliteitsvermindering van de consumptiegoederen, de toegenomen inhoudingen van de Ionen, enz. (Bettelheim, L’économie allemande sous le nazisme, pp. 210, 222-224).
[46] ‘Bewapeningsopdrachten vormen in de eerste plaats een prikkel voor extra investeringen; tegenover de voortdurende toename van de productiviteit is er echter een voortdurende stijging van de uitgaven vereist om een gegeven bezettingsgraad van de nieuwe productiecapaciteiten te waarborgen, en alleen al de stabilisering van de bewapeningsuitgaven dreigt tot overcapaciteit te leiden’ (Theodor Prager, Wirtschaftswunder oder keines?, p. 133).
[47] Zie hierover bijv. de studie van Malcolm W. Hoag van de Rand Corporation, ‘Increasing Returns in Military Production Functions’ (in: Issues in Defence Economics, uitg. Roland N. McKean).
[48] Zur Theorie des staatsmonopolistischen Kapitalismus, p. 139.
[49] Idem, pp. 143, 144.
[50] Murray Weidenbaum beweert dat 90 % van de bewapeningsgoederen, die tegenwoordig uit specifieke producten bestaan, in speciaal voor dit doel opgerichte fabrieken vervaardigd worden (‘Friedliche Nützung der Rüstungsindustrie’, in: Atomzeitalter, nr. 5, 1964, p. 133).
[51] M. Kidron, Rüstung und wirtschaftliches Wachstum, p. 77; Baran en Sweezy zijn vóór Kidron tot dezelfde constatering gekomen: pp. 214-215.
[52] Fritz Vilmar citeert in dit verband (pp. 193-206) interessante bronnen uit het begin van de jaren ’60, die zich inlaten met het probleem van de mogelijke reconversie van de bewapenings in een ‘vredes’-industrie. Tegenover de optimistische, deels apologetische stemmen, zoals die van Fritz Baade, stelt hij meer voorzichtige uitlatingen zoals die van W. Leontief. Het werkelijke probleem draait steeds om de verschuiving in de koopkracht, d.w.z. om het in stand houden van de gestegen meerwaardevoet, zonder welke de kapitalistische investeringen en het daardoor bepaalde werkgelegenheidsniveau onmiddellijk zouden dalen. Daarom stelt Seymour Melman voor, de ‘staat’ als koper te laten voortbestaan, evenals de elektronische industrie als producent, en de productie te heroriënteren op apparatuur, die praktisch geen gevolgen zou hebben voor de waarde van de waar arbeidskracht: controleapparaten voor het verkeer, elektronische leermiddelen, medische apparatuur. Andere projecten spreken van automatische systemen voor de afvalverwerking en voor de strijd tegen de lucht- en watervervuiling.
[53] Tsuru, p. 39; Vilmar, pp. 60 e.v., 209-216, en nog vele anderen.
[54] Francois Perroux, La coexistence pacifique III, p. 500.
[55] Zie in dit verband Oliver E. Williamson, ‘The Economics of Defence Contracting: Inventives and Performances’, in: Issues in Defence Economics; Merton J. Peck, Frederick M. Scherer, The Weapons Acquisition Process: An Economic Analysis.
[56] Het begrip werd geformuleerd door president Eisenhower in zijn afscheidsrede van 17 januari 1961. De literatuur over dit ‘militair-industriële complex’ is ondertussen sterk uitgebreid. We noemen hier slechts het al meermaals geciteerde boek van Fred J. Cook, The Warfare State en J.K. Galbraith, How to control the Military. De Amerikaanse senator Proxmire heeft aan ditzelfde thema eveneens een boek gewijd: Report from Wasteland. America’s Military Industrial Complex, New York 1970. — Zie ook S. Melman, Pentagon Capitalism, New York 1970; R. Kaufman, The War Profiteers, Indianapolis, enz. Tussen 1959 en 1969 steeg het aantal voormalige hogere officieren (met een rang gelijk aan of hoger dan overste), dat werkte voor de 43 concerns met de belangrijkste wapenleverantie-constanten, van 721 tot 2.072.
[57] Fritz Vilmar, Rüstung und Abrüstung im Spätkapitalismus, p. 47.
[58] Harry Magdoff, Das Zeitalter des Imperialismus, pp. 160-164, 170.
[59] Dit en vele andere citaten in Richard J. Barnet, Roots of War, Penguin Books, Baltimore 1973, p. 200 e.v.
[60] Dat die rol niets nieuws is in de geschiedenis van het imperialisme, wordt benadrukt door Hallgarten: ‘Vandaar (...) liggen door de afloop van de Tweede Wereldoorlog de dossiers van de overwonnen grote mogendheden open en vervolledigen ze de Amerikaanse publicaties van dossiers, die voor een deel al tientallen jaren toegankelijk waren. Ettelijke tientallen keren komen in de dossiers de namen voor van de grote bewapeningsfirma’s. Nu weten we, dat bijv. in China, waar Duitsland sinds 1886 een contractueel bevestigd bewapeningsmonopolie bezat, de officiële staatspolitiek zeer sterk beïnvloed werd door de Westerse bewapeningsagenten, die met de hulp van hooggeplaatste Chinezen zowel aan China als aan zijn vijand Japan wapens leverden, en die met behulp van de Duitse diplomatie China ervan trachtte te weerhouden deze Chinese hoogverraders een proces aan te doen. We kennen de ongehoorde bewapeningsstrijd tussen Krupp en de Franse firma Schneider-Creusot om de wapenleveringen aan Turkije, die aan de zgn. eerste Marokkaanse crisis van 1905 voorafging. We hebben inzage in de verslagen van de toenmalige Duitse ambassadeur in Turkije, baron Marschal von Bieberstein, die naar Berlijn schreef dat het al moeilijk genoeg was om er de positie van Krupp tegen Creusot te verdedigen; dit werd hem echter onmogelijk gemaakt, toen ook nog een tweede Duitse mededinger, de firma Ehrhardt, later bekend als Rheinische Metallwarenfabrik, op het toneel verscheen en onder Krupps prijzen bleef. We zijn ingelicht over de steekpenningen, in Turkije ‘baksjisj’ genaamd, die de hoge Turkse ambtenaren kregen om bij de grote mogendheden kanonnen te bestellen. We weten op welke manier het Engelse parlementslid Samuel Roberts, tegelijkertijd directeur van scheepswerven in nood en van de kanonnenfabrieken van Coventry, in 1909 het Lagerhuis in de luren heeft gelegd over de omvang van de Duitse bewapening om bestellingen voor zijn fabrieken los te krijgen. We hebben tegenwoordig een volledig gedocumenteerd beeld van het zgn. Putilov-schandaal van 1914, dat hierin bestond dat de Franse firma Schneider-Creusot de Fransen wijsmaakte, dat Krupp de Russische Putilov-fabrieken wou kopen, waar met patenten van Schneider-Creusot werd gewerkt’ (‘Zur Geschichte der Abrüstung im 20. Jahrhundert’, in: Zeitschrift für Politik, 1960/2, p. 95).
[61] De gegevens zijn afkomstig van het International Peace Research Institute te Stockholm. Het thema wordt uitvoerig behandeld in een door dit instituut gepubliceerd werk: The Arms Trade with the Third World, Stockholm 1971, en in J. Stanley, M. Pearton, The International Trade in Arms, Londen 1972, en Ulrich Albrecht, Der Handel mit Waffen, München 1971.

 

Contact webmaster

Avec le soutien de la Formation Leon Lesoil, 20, rue Plantin, 1070 Bruxelles, Belgique