Portaal

Biografie
Werken
Over het leven en het werk van Mandel...
Debatten, interviews, ...
Multimedia
Contact
Mailinglist

Nu voor 12 euro!

Dubbele DVD:

Links
Castellano
Deutsch
English
Français

Het laatkapitalisme - Proeve van een marxistische verklaring
Ernest Mandel - Internet-archief
Ernest Mandel

Afdrukken

Hoofdstuk 7:

De verkorte rotatietijd van het vaste kapitaal en de dwang tot bedrijfsplanning en economische programmering

De verkorting van de rotatietijd van het vaste kapitaal is één van de hoofdkenmerken van het laatkapitalisme. De directe oorsprong van die verkorting ligt in de versnelde technologische vernieuwing,[1] op haar beurt veroorzaakt o.a. door een herverdeling van het industriële kapitaal, dat niet alleen in de directe productie wordt geïnvesteerd, maar steeds meer ook in sferen die de productie voorafgaan (onderzoek en ontwikkeling).[2] De noodzaak van een bewapeningswedloop met niet-kapitalistische landen, die bij de ontwikkeling van de techniek door geen enkele valoriseringsvoorwaarde in hun productie beperkt worden, en de interne logica van de ontwikkeling van de wetenschap spelen daarbij een rol.

Het beslissende moment bij de verkorting van de rotatietijd van het vaste kapitaal in de geschiedenis van het kapitalisme is echter ongetwijfeld het feit, dat de voornaamste bron van surpluswinst tegenwoordig de ‘technologische rente’ is, nl. het onderlinge, door monopolie-verschijnselen geconsolideerde productiviteitsverschil tussen bedrijven en tussen industrietakken.

De voortdurende, systematische jacht op technologische vernieuwingen en de daaruit voortvloeiende surpluswinsten wordt een structureel kenmerk van de laatkapitalistische ondernemingen, vooral van de laatkapitalistische grote concerns.[3] Wat deze jacht op surpluswinst voor de ‘afzonderlijke kapitalen’ is, is voor het ‘kapitaal in het algemeen’ het streven naar prijsdaling van het constante kapitaal en naar verhoging van de meerwaardevoet door extra productie van relatieve meerwaarde. De derde technologische revolutie, zelf oorzaak en gevolg van de versnelde technologische vernieuwing en de kortere rotatietijd van het vaste kapitaal, heeft een fysiek-technische uitwerking, die op haar beurt de levensduur van het vaste kapitaal niet alleen moreel, maar ook fysiek benadeelt: de kwalitatief gestegen snelheid van de machines, die hun slijtage ongetwijfeld verhoogt.[4]

De verkorting van de rotatietijd van het vaste kapitaal heeft een tweeledig karakter, en verschijnt enerzijds als de som van een versneld vervangingsproces van oude door nieuwe machines, d.w.z. als een proces van versnelde morele slijtage van het vaste kapitaal, maar verschijnt anderzijds ook als de overgang van de klassieke praktijk van periodieke reparatie van de bestaande installaties, die slechts om de tien jaar grondig vernieuwd worden, naar de praktijk van algemene reparaties, die tot continue en soms aanzienlijke technologische vernieuwingen leiden.[5] Wat de waarde betreft kan dit op de volgende wijze worden uitgedrukt: terwijl vroeger het proces van de eenvoudige reproductie van het vaste kapitaal en het proces van de accumulatie van supplementair vast kapitaal strikt gescheiden waren en bij het begin van de nieuwe tienjarige cyclus tot een uitgebreide reproductie leidden — met slechts geringe wijzigingen in de productietechniek —, zijn die beide processen nu steeds meer met elkaar verbonden, speelt de eenvoudige reproductie zich bij een voortdurende vernieuwing van de techniek bijna continu af en gaat aldus over in een uitgebreide reproductie die in kortere perioden dan vroeger — we kunnen voorlopig een vijfjarige cyclus aannemen — tot een volledige vernieuwing van de productietechniek leidt.

De versnelde rotatietijd van het vaste kapitaal heeft ook gevolgen voor de rotatietijd van het circulerende kapitaal. Enerzijds verhoogt deze de eisen die aan de lopende investeringsactiviteit gesteld worden, veroorzaakt dus een permanente herverandering van circulerend in vast kapitaal en versterkt aldus de aan het monopoliekapitalisme inherente tendens om het hele concernkapitaal om te vormen in vast kapitaal en het circulerende kapitaal grotendeels (zo niet helemaal) uit bankkrediet te financieren. Dit heeft gevolgen voor de zelffinanciering van de concerns — één van de belangrijkste kenmerken die het laatkapitalisme onderscheiden van het klassieke, door Lenin beschreven imperialisme, dat beheerst werd door het financierskapitaal. Het heeft echter ook gevolgen voor de totale geld- en kredietscheppende activiteit van de banken, die we later zullen analyseren.[6]

Anderzijds vergroot ze het belang van het kapitaal bij een nieuwe verkorting van de rotatietijd van het circulerende kapitaal — een bron van stijgende meerwaardeproductie die des te overvloediger moet stromen omdat de verkorting van de rotatietijd van het vaste kapitaal de organische samenstelling van het kapitaal verhoogt en dus druk uitoefent tot een verhoging van meerwaardemassa en -voet om dat te compenseren. Vandaar de tendens tot versnelling van alle kapitalistische processen, die o.a. tot uiting komt in de parallelle verschijnselen van groeiende intensivering van het arbeidsproces en toenemende ‘versnelling’ (kwantitatieve differentiëring en kwaliteitsverlies) van de arbeidersconsumptie.[7]

De verkorting van de rotatietijd van het vaste kapitaal wordt bevestigd door veel empirisch materiaal en talrijke uitspraken van kapitalisten en economen, die in deze richting wijzen. Zo verklaarde de president van de Mattison Machine Works, Alan C. Mattison, voor de automatiseringscommissie van het Amerikaanse Congres: ‘De verouderingscyclus van de machines neemt af van 8 à 10 jaar tot 5 jaar.’[8] Zoals Pollock heeft aangetoond is in de auto-industrie een snelle veroudering regel.[9] In de Amerikaanse auto-industrie worden de tools and dies die voor elk nieuw model vervaardigd moeten worden, in 1 jaar afgeschreven wanneer men minstens 400.000 auto’s per jaar weet te produceren en te verkopen. In deze industrie liggen de kosten van deze gereedschappen op ca. 1/3 van de totale machine- en outillagekosten van een grote Amerikaanse autofabriek.[10]

Voor de sector investeringsgoederen van de elektronische industrie (electronic capital goods industry) noemt Freeman een gebruiksduur van de producten die tussen de 3 en 10 jaar ligt, d.w.z. gemiddeld 6 1/2 jaar, te vergelijken met de 13 jaar die Friedrich Engels in een brief aan Marx als de toenmalige gemiddelde levensduur van machines opgaf.[11] Computers hebben een gemiddelde levensduur van 5 jaar, scheepsradar 7 jaar.[12] In de West-Duitse weefindustrie werden in 1971 bijv. geheel andere machines gebruikt (Sulzer weefmachines dubbelbreed met kammenheffer) dan de modernste machines van 1965 (conventionele automaten met kammenheffer maar zonder unifil).[13] Naar schattingen van de Amerikaanse fiscus is de fysieke levensduur van de machines sinds de jaren ’30 met ca. 33 % gedaald.[14] Deze schatting wordt overigens sterk gekritiseerd, zowel door degenen die de met deze verkorting corresponderende afschrijvingsreserve te hoog vinden (d.w.z. beschouwen als een middel voor de ondernemingen om hun winsten te camoufleren), als door degenen die ze te laag vinden. Aan de hand van praktische voorbeelden schatte George Terborgh dat de levensduur van schroefmachines was gedaald van 39 tot 18 jaar, gear shapers van 35-42 tot 20 jaar, stoomgeneratoren van 30 tot 20 jaar;[15] het gaat hier om concrete bedrijfsgevallen, niet om gemiddelden voor industrietakken of voor de hele verwerkende industrie. In de modernste petrochemische bedrijven die ethyleen produceren wordt het vaste kapitaal — al naar gelang zijn omvang — in 4 tot 8 jaar afgeschreven.[16] De algemene opmerkingen over de kortere levensduur van het vaste kapitaal zijn te talrijk om hier opgesomd te kunnen worden.[17]

De nu volgende vergelijking van de afschrijvingsnormen zoals die aan het begin van de jaren ’20, begin van de jaren ’40 en aan het eind van de jaren ’50 resp. begin van de jaren ’60 bestonden en dus een periode van 40 jaar beslaan, geeft een overtuigend beeld van de verkorting van de rotatietijd van het vaste kapitaal:[18]

Verwachte productieve levensduur van vaste outillage

  ± 1922 ± 1942 ± 1957 ± 1965
pijpleidingen 30-60 jaar   15 jaar  
stoomketels 15-20 jaar   15 jaar  
hydrometers 20 jaar   15 jaar  
turbines 50 jaar   22 jaar  
brouwerijmachines 25 jaar 15-20 jaar   16 jaar
fabrieksgebouwen 50-100 jaar 40-50 jaar   35 jaar
zaagmachines 14 jaar 10 jaar    
machines in de me-
taalverwerkende industrie
20 jaar     16 jaar
boekdrukpersen 40 jaar 20 jaar   16 jaar
machines in de houtver-
werkende industrie
33 jaar     20 jaar

Uit deze verkorting van de rotatietijd van het vaste kapitaal ontstaat een dubbele tegenspraak. Enerzijds gaat die voor specifieke productieprocessen gepaard met een langere voorbereidings- en experimenteertijd en een langere constructieperiode van de hele installatie;[19] deze tegenspraak is zó sterk dat bepaalde processen en installaties soms al technisch achterhaald zijn vóór ze in de massaproductie toegepast kunnen worden.[20]

Anderzijds vergen juist machines die het stempel dragen van de derde technologische revolutie veel grotere investeringen dan die van de tweede technologische revolutie. Het binden van die reusachtige kapitalen en de versnelde veroudering van de installaties en het productenassortiment maken de hele laatkapitalistische productie veel riskanter dan die in het kapitalisme van de vrije concurrentie of het ‘klassieke’ monopoliekapitalisme.

Het toch al gestegen risico wordt nog groter door de bijzondere technische rigiditeit van de automatische productie, die bepaalde schommelingen in de lopende productie of op de arbeidsplaats niet meer toelaat resp. de minimumrentabiliteit van de onderneming beslissend in gevaar brengt.[21] En de omvang van de aan onderzoek en ontwikkeling gebonden middelen vereist een nauwkeurige berekening en voorafgaande planning van de uitgaven — ook de indirecte uitgaven die uit de ontwikkeling en verkoop van nieuwe producten kunnen ontstaan.[22] Zo ontstaat in de laatkapitalistische onderneming een vierledige druk tot een steeds nauwkeuriger planning:
1. een uit de aard van de automatisering voortvloeiende druk tot exacte planning van het productieproces op bedrijfsniveau;[23]
2. druk tot planning van de investeringen voor onderzoek en ontwikkeling, samengaande met een druk tot planning van de technologische vernieuwing;[24]
3. druk tot algemene investeringsplanning, uitgaande van de planning van de vernieuwingsinvesteringen;[25]
4. nauw verbonden met de tendens tot investeringsplanning is de tendens tot planning van alle elementen van de productiekosten.[26]

Het instrumentarium van de automatisering — vooral de elektronische computer — schept op die gebieden exacte en gedetailleerde planningsmogelijkheden door snelle verwerking van een reusachtig aantal gegevens en gegevencomplexen, d.w.z. de mogelijkheid om uit verschillende werkwijzen de optimale variant te berekenen. Zo zijn de PERT en CPM technieken (de toepassing van operations research en systeemanalyse op de bedrijfsorganisatie) ontstaan, die net als de elektronische dataverwerkingsapparatuur resultaat zijn van militaire behoeften.[27]

Maar de exacte investerings-, financierings- en kostenplanning heeft geen zin, als de afzet van de waren niet gewaarborgd is. Zo stuwt de logica van de derde technologische revolutie de laatkapitalistische concerns in de richting van afzetplanning, met een grootscheepse toepassing van marktonderzoek en marktanalyse,[28] reclame en manipulatie van de kopers, geplande veroudering van de waren (wat dikwijls een kwaliteitsdaling met zich meebrengt)[29] enz. Dit hele proces culmineert in een zeer sterke druk op de staat om de conjunctuur- en afzetschommelingen te verminderen — ten koste van de permanente inflatie. Het culmineert in de tendens tot winstgarantie door de staat, eerst op het vlak van de al maar toenemende staatsopdrachten — vooral militaire —, vervolgens op het vlak van de technologisch toonaangevende concerns en tenslotte op het vlak van de totale uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling. Deze tendens, die zich van het gebied van de productie en onderzoek heeft uitgebreid tot o.a. een groot deel van de waren- en kapitaalexport, hoort eveneens tot de beslissende kenmerken van het laatkapitalisme.[30]

Naast de tendens tot winstgarantie van de grote concerns door de staat, bestaat er een tweede typerende reactie van het laatkapitalisme op het door de versnelde technologische vernieuwing en de kortere rotatietijd van het vaste kapitaal gestegen risico, dat aan de soms reusachtige investeringsprojecten vastzit, nl. de poging tot voortdurende differentiëring van de producten, de projecten en de markt,[31] die zowel in de totstandkoming van reusachtige conglomeraten als in de vorming van multinationale concerns tot uiting komt.[32]

Hoe nauw die processen samenhangen met de kortere rotatietijd van het vaste kapitaal blijkt uit het volume van de afschrijvingen en hun belang in de totale massa van de bruto investeringen, evenals uit de waardedynamiek die met dat volume overeenkomt.

Met de verkorting van de rotatietijd van het vaste kapitaal neemt het gevaar van achterblijven in de concurrentiestrijd meetkundig toe, omdat het tempo van de concurrentie groeit met dat van de reproductie van het vaste kapitaal en omdat tegelijkertijd het doel van die concurrentie — de herverdeling van de totale in het productieproces voortgebrachte meerwaarde — onder druk van de opkomende tendensen tot volledige automatisering steeds belangrijker wordt. De hereniging van eenvoudige reproductie en accumulatie van het vaste kapitaal (samen met de verkorting van de rotatietijd van het vaste kapitaal) leidt tot een regelmatige en geregelde afschrijvingsdwang, d.w.z. tot een tendens tot planning van de afschrijvingen.[33] Dit komt ook symbolisch tot uiting in het feit, dat de financiële deskundigen steeds meer het begrip cashflow gebruiken om de soliditeit van een concern te beoordelen. De cashflow is de som van de netto winst en de afschrijvingen.

Wanneer de vernieuwing van het vaste kapitaal om de tien jaar geschiedt, valt er op het jaarlijkse product van het bedrijf of concern een gemiddelde afschrijvingslast van 10 % van de waarde van het machinepark. Als het bedrijf of concern een slechte tijd doormaakt en weinig bruto inkomsten heeft, en daardoor de 10 % reserve van de waarde der machines gedurende één jaar van de tienjarige cyclus wegvalt, zal dit de totale reproductie van het vaste kapitaal niet in gevaar brengen. De 10 % van de waarde der machines moet dan over de negen overige jaren van de cyclus gespreid worden, resp. moet de jaarlijkse afschrijvingslast van 10 tot 11,1 %, d.w.z. met slechts 1,1 % van de waarde der machines toenemen. De zaken liggen anders als de rotatieperiode van het vaste kapitaal 5 of zelfs maar 4 jaar gaat bedragen. Dan betekent het wegvallen van de reproductiereserve voor de vernieuwing van het machinepark gedurende slechts één jaar al een zware slag voor de hele investeringscalculatie, of zelfs de onmogelijkheid om het vaste kapitaal binnen de vastgestelde cyclus te vernieuwen. Dan is de jaarlijkse afschrijvingslast nl. van 10 tot 20 resp. 25 % gestegen, en door het wegvallen van de reserve moet die 20 % binnen een vijfjarige cyclus over vier jaar worden herverdeeld, moet m.a.w. de jaarlijkse afschrijvingssom met 20 à 25 % van de waarde der machines worden verhoogd, d.w.z. met 25 % (in plaats van met 10 % in een tienjarige cyclus). Bij een vierjarige rotatietijd van het vaste kapitaal staat 1 jaar wegvallen van de afschrijvingsreserve gelijk met de noodzaak om 25 % van de waarde van het machinepark over de resterende drie jaar van de cyclus te herverdelen, d.w.z. de jaarlijkse afschrijvingslast te verhogen tot 33,3 % van de waarde van het machinepark, d.w.z. met 33,3 % in plaats van 10 % in de tienjarige en 25 % in de vijfjarige cyclus. Onder normale omstandigheden, dus afgezien van uitzonderlijke hoogconjunctuur, is dat praktisch onmogelijk.

In de Amerikaanse auto-industrie daalt de (niet marxistisch maar burgerlijk berekende) winstvoet van 15,5 tot 11,4 en 8,7 % al naar gelang men erin slaagt om de tooling costs voor een nieuw automodel in 1, 2 of 3 jaar af te schrijven.[34] Vandaar de voor het laatkapitalisme kenmerkende druk tot langlopende planning van afschrijvingen en investeringen. Maar langlopende investeringsplanning betekent langlopende planning van de kosten en bruto inkomsten. Daarvoor is langlopende kostenplanning echter niet voldoende. Om de geplande bruto inkomsten ook werkelijk mogelijk te maken is het niet genoeg om de kosten en verkoopprijzen te plannen; ook de afzet moet verzekerd worden. De tendens tot economische programmering die zich in de belangrijkste imperialistische staten aan het veralgemenen is, vloeit dus in het tijdperk van het laatkapitalisme voort uit de noodzaak voor de concerns om hun investeringen op lange termijn te plannen. Die tendens is niets anders dan de poging om de tegenspraken tussen de aan het privébezit van productiemiddelen inherente anarchie van de kapitalistische productie en de toenemende druk tot planning van afschrijvingen en investeringen tenminste gedeeltelijk te overbruggen.[35]

Planning binnen het kapitalistische bedrijf is al zo oud als de formele onderschikking van de arbeid aan het kapitaal, d.w.z. als de elementaire arbeidsdeling onder het bevel van het kapitaal in de met de manufactuur beginnende kapitalistische productiewijze. Hoe ingewikkelder het eigenlijke productieproces wordt en tientallen gelijktijdig verlopende processen — inclusief processen in de circulatie- en reproductiesfeer — in elkaar gaan grijpen, des te complexer en exacter wordt de planning. Het eerste interessante boek over interne bedrijfsplanning werd al na de Eerste Wereldoorlog geschreven.[36] Zodra een geperfectioneerd (machinaal en conceptueel) instrumentarium voorhanden was, kon de bedrijfsinterne planning met het begin van de derde technologische revolutie een kwalitatief hoger niveau bereiken.

De oude Clausewitz vergeleek de oorlog met de handel en zag in de gewonnen veldslag een analogie met een ingeloste wissel.[37] In het laatkapitalisme of in ieder geval in de laatkapitalistische terminologie en ideologie heeft nu de krijgskunst invloed op de economie: men gaat van het strategisch plan van de grote concerns spreken.[38] In het tijdperk van het monopoliekapitalisme kunnen de concerns er inderdaad niet meer naar streven om het geproduceerde en aanwezige warenassortiment zo snel mogelijk met een maximale winst te verkopen. Winstmaximalisering op korte termijn is onder voorwaarden van monopolistische concurrentie zonder meer een onzinnige onderneming.[39] De strategie van het concern is afgestemd op de winstmaximalisering op lange termijn, waarbij de factoren marktbeheersing, marktaandeel, bekendheid der merken, toekomstige dekking van de vraag, garantie van vernieuwingsmogelijkheden d.w.z. van de groei, belangrijker zijn dan de onmiddellijk bedongen verkoopprijs resp. de daarin vervatte winstmarge.[40] De beschikking over alle significante informatie is daarbij geenszins doorslaggevend. De noodzaak van strategische beslissingen — d.w.z. in laatste instantie de dwang tot bedrijfsinterne planning — drukt juist de onzekerheid uit, die in de markteconomie (warenproductie) aan iedere economische beslissing vastzit. Niet doordat het verzamelen van een maximale hoeveelheid bedrijfsexterne gegevens tegenwoordig makkelijker is dan vroeger, maar door de feitelijke beschikkingsmacht van de kapitalist over de productiemiddelen en arbeidskrachten van de onderneming en mogelijkerwijs over buiten het bedrijf geaccumuleerde kapitalen, wordt planning mogelijk.[41]

Binnen het bedrijf en concern worden er geen waren geruild. Of er nu meer of minder carrosserieën geproduceerd worden in vergelijking met het aantal motoren of assen, wordt hoegenaamd niet bepaald op grond van rentabiliteitsprincipes.[42] Binnen het concern is de arbeid onmiddellijk gesocialiseerd in die zin, dat het totale plan van het concern — de productie van x auto’s per week, per maand of per jaar — rechtstreeks de productie van de verschillende bedrijven, ateliers en lopende banden bepaalt. De investeringsactiviteit in de verschillende bedrijven, werkplaatsen enz. die tot een concern behoren, wordt centraal bepaald en niet door de directeuren van de afzonderlijke productieplaatsen. De planning binnen het concern is een feit.

Ook als het strategische doel niet bereikt wordt blijft de planning werkelijk. Als er van 1 miljoen geproduceerde wagens 5 % onverkoopbaar zijn wegens een plotselinge vermindering van de vraag, is dat iets anders dan als er bij een productie van 1 miljoen carrosserieën en motoren 50.000 wagens niet gemonteerd kunnen worden wegens een tekort aan assen. In het eerste geval hebben omstandigheden buiten het bedrijf — of ze al dan niet te voorzien waren is een ander probleem — een negatieve uitwerking op het plan gehad. In het tweede geval heeft men slecht gepland. De precieze onderlinge afstemming van alle momenten, waarover het afzonderlijke concern een effectieve beschikkingsmacht bezit, is objectief mogelijk en slechts een kwestie van goede planning. De precieze coördinatie van alle bedrijfsinterne en externe momenten, waarvan de winstmaximalisering op lange termijn in laatste instantie afhankelijk is, is daarentegen niet mogelijk, omdat het concern over die externe momenten geen — of geen volledige — beschikkingsmacht kan bezitten. Hier wordt het onderscheid duidelijk tussen bedrijfs- (of concern-) interne planning en totaalmaatschappelijke programmering.

In de hele kapitalistische economie van een land — of duidelijker: in de hele kapitalistische wereldeconomie — bezitten planbureaus of -autoriteiten geen effectieve beschikkingsmacht over de voorhanden zijnde productiemiddelen, het geaccumuleerde kapitaal en de bestaande economische rijkdommen, met de mogelijke uitzondering van de staatssectoren. Hier kunnen de concerns of industrietakken geenszins onafhankelijk van rentabiliteitsberekeningen en -verwachtingen over die rijkdommen beschikken. Hier bepaalt in laatste instantie de waardewet in zijn kapitalistische vorm — d.w.z. de dwang voor het kapitaal om minstens de gemiddelde winstvoet te realiseren en om boven dit gemiddelde uit surpluswinsten te zoeken — de flux en reflux van die kapitalen, dus van de economische rijkdommen, dus van de productiemiddelen van de ene tak naar de andere, van het ene concern naar het andere. Hier legt dus geen globaal plan vast, dat een technisch-economische coëfficiënt de productie van x assen vereist, omdat er y carrosserieën zijn geproduceerd. Hier bepalen veeleer de concurrentie tussen de kapitalen, de winstverwachtingen en de effectieve realisering van de meerwaarde, of — als er z miljoen ton kolenequivalent nodig zijn om de gegeven bedrijfs- en particuliere behoeften te dekken — er inderdaad x miljoen ton kolen, y miljoen ton kolenequivalent petroleum en w miljoen ton kolenequivalent aardgas geproduceerd worden, waarbij x + y + w aanzienlijk lager of hoger kan uitvallen dan de behoefte z. Want terwijl de productie van carrosserieën, assen en motoren in het concern geleid wordt door één instantie en één bezitter, wordt de productie van kolen, petroleum en aardgas door verschillende bezitters bepaald op grond van hun particuliere of bijzondere belangen. In tegenstelling tot de toestand in het afzonderlijke concern, bestaat hier geen centrale beschikkingsmacht over de productiemiddelen.

Economische programmering in het laatkapitalisme — in tegenstelling tot economische planning binnen een afzonderlijk concern of op maatschappelijk niveau na de afschaffing van de kapitalistische productiewijze — kan dus niets meer zijn dan een coördinatie van onderling onafhankelijke concernverwachtingen,[43] die in laatste instantie berusten op het warenkarakter van de productie, d.w.z. op het privébezit van de productiemiddelen en het privékarakter van de in het concern geleverde arbeid. Deze economische programmering omvat dus fundamenteel twee beslissende onzekerheidsmomenten.

Ten eerste berust zij op investeringsplannen en -verwachtingen, die meestal slechts projecties zijn van vroegere ontwikkelingstendensen die door bepaalde variabelen gecorrigeerd zijn.[44] Als er een verandering in de markttoestand optreedt, doet zich een onverwachte verschuiving voor in de verhouding tussen vraag en aanbod; als er onverhoeds een nieuw product op de markt komt, dat de ‘geplande’, d.w.z. verwachte vraag naar een bepaald product van een concern in gevaar brengt, als er een recessie optreedt of de conjunctuur ‘oververhit’ raakt, moeten de concerns vaak hun investeringsactiviteit wijzigen, ofwel in de zin van een radicale vermindering (verschuiving in de tijd) of van een aanzienlijke stijging (versnelling). Daarbij komt, dat de concerns vergissingen kunnen begaan, dat ze met andere woorden onder bepaalde omstandigheden de markttoestand, de afzettendensen en de conjunctuur verkeerd kunnen schatten en dan gedwongen zijn om hun plannen des te rigoureuzer aan de economische werkelijkheid aan te passen naarmate dit met meer vertraging geschiedt.

Ten tweede gaat het om een coördinatie tussen verschillende kapitalen, die in dit verband geen gemeenschappelijke, maar uiteenlopende belangen hebben. Weliswaar is het in het gemeenschappelijk belang van alle grote concerns dat ze op de hoogte zijn van de investeringsplannen van hun belangrijkste grote leveranciers en klanten. Dat is de objectieve basis voor de uitwisseling van informatie die aan de laatkapitalistische economische programmering ten grondslag ligt. Maar de concerns hebben die informatie niet nodig om zich daaraan aan te passen; ze hebben ze integendeel nodig om de berekening van hun eigen particuliere winstmaximalisering zo effectief mogelijk vorm te geven, d.w.z. om de plannen van hun concurrenten zo effectief mogelijk te bestrijden. Uit de concurrentie en het privébezit vloeit dus voort, dat de coördinatie tussen de verschillende investeringsprojecten, juist omdat de uitwisseling van informatie heeft plaatsgevonden, niet functioneert, dat m.a.w. de verleiding bestaat om de concurrenten juist op grond van hun plannen voorbij te streven en tot de aftocht te dwingen. Coördinatie van de privéplannen van de concerns betekent onvermijdelijk zowel een werkelijke coördinatie als de negatie daarvan.

De fundamentele onbepaaldheid van de laatkapitalistische economische programmering — in werkelijkheid de projectie van totaaleconomische ontwikkelingen die op basis van coördinatie van door afzonderlijke concerns meegedeelde investeringsplannen is uitgewerkt — bepaalt het prognostische karakter ervan, in tegenstelling tot het doelkarakter van een socialistische planeconomie. Degenen die de prognose opstellen hebben niet de economische macht, d.w.z. de beschikkingsmacht over de productiemiddelen, om de realisering van hun prognoses af te dwingen. In dit verband is het kenmerkend dat de laatkapitalistische economische programmeurs maar één middel kunnen inbouwen of gebruiken om de feitelijke ontwikkeling in vergelijking met de opgestelde prognose te corrigeren,[45] nl. wijziging van de staats-interventie in de economie, d.w.z. wijziging van de monetaire, krediet-, belasting- en buitenlandse handelspolitiek of van de investeringsactiviteit van de staat. De grenzen van die staatsinterventie zullen we in een later hoofdstuk behandelen.

Eén van de grootste zwaktes van Andrew Shonfields interpretatie van het laatkapitalisme ligt in het uitwissen van het fundamentele verschil tussen kapitalistische economische programmering en postkapitalistische planning van de economie. Shonfield noemt het uitzonderingsgeval van de Amerikaanse landbouw, waar de regeringsinstanties de te bebouwen oppervlakten en zelfs de te produceren hoeveelheden vastleggen — met welk resultaat is een andere kwestie. Hij schijnt het verschil niet te zien tussen een dergelijk optreden en de losse ‘consensus’ tussen concerns zodra de particuliere beschikkingsmacht over productiemiddelen overheerst. Een dergelijke ‘consensus’ wordt steeds begrensd door het concurrentiestreven, d.w.z. door de dwang tot gescheiden winstmaximalisering. Het is op zijn minst verbazingwekkend dat Shonfield, die de meer dan gemiddelde groei van de internationale handel als één van de voornaamste oorzaken van de lange naoorlogse hoogconjunctuur beschouwt, de internationale concurrentie uitschakelt bij de bepaling van de voor het laatkapitalisme karakteristieke neiging tot economische programmering. Hij wil met andere woorden niet erkennen, dat de integratie in de wereldmarkt en de internationale concurrentie extra hindernissen opwerpen voor de doeltreffendheid van nationale economische programmeringen.[46]

Ongetwijfeld bestaat er tussen de concern interne productie- en accumulatieplanning en de totaalmaatschappelijke programmering een zekere technische en economische wisselwerking. De met de kortere rotatietijd van het vaste kapitaal verbonden dwang tot nauwkeurige berekening en planning binnen het bedrijf schept een technisch instrumentarium voor en een economisch belang bij een nauwkeuriger verwerking van de economische gegevens, die ook totaaleconomisch toegepast kunnen worden. Dat betekent een geweldige groei van het technische potentieel voor een effectieve socialistische planning, vergeleken met de planningstechniek waarover de mensheid bijvoorbeeld in 1918 of 1929 beschikte.

Anderzijds heeft de in de laatkapitalistische economische programmering aanwezige totaaleconomische onzekerheidscoëfficiënt gevolgen voor de toepassing van exacte planningstechnieken binnen de concerns.[47]

Jarenlange berekeningen en experimenten, reusachtige uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling kunnen met één slag overhoop worden gegooid door onvoorziene en onstuitbare ontwikkelingen op de markt en door beslissingen van vijandelijke concerns.[48] Hieruit vloeien de verkeerde prognoses voort die steeds opnieuw door openbare programmeringbureaus worden opgesteld, met soms aanzienlijke gevolgen in de zin van een versterking van cyclische evenwichtsverstoringen in plaats van de verwachte anticyclische werking.[49] Hieruit vloeien ook de jaarlijkse schommelingen voort in het volume van de particuliere investeringen die door de economische programmering en de versterking van de staatsinterventie geenszins opgeheven worden en een doorslaggevend kenmerk blijven van de kapitalistische productiewijze en haar cyclische ontwikkeling. Juist in Frankrijk, met zijn ‘voorbeeldige planeconomie’, zijn de schommelingen bijzonder opvallend:

Jaarlijkse groeivoet van de brutokapitaalvorming in Frankrijk [50]

1954 12,4 % 1960 16,2 % 1965 4,3 %
1955 9,3 % 1961 2,3 % 1966 9,3 %
1956 21,0 % 1962 11,6 % 1967 5,6 %
1957 5,5 % 1963 3,2 % 1968 7,4 %
1958 7,3 % 1964 9,6 % 1969 10,3 %
1959 5,7 %

Terwijl de economische programmering steeds onzeker blijft en dikwijls op een ronduit rudimentaire wijze werkt, is de ‘sociale programmering’ in het laatkapitalisme grondig gecalculeerd en van de grootste betekenis. De kortere rotatietijd van het vaste kapitaal dwingt de concerns tot een nauwkeurige berekening en planning van de kosten. Maar exacte kostenplanning impliceert exacte loonplanning. En precieze planning van de lonen vereist, dat de bepaling van de prijs van de waar arbeidskracht vérgaand bevrijd is van de schommelingen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Dat betekent de tendens om die loonkosten lang vooraf te plannen.

Het eenvoudigste instrument daartoe zijn langlopende en niet-opzegbare collectieve arbeidsovereenkomsten, die elk element van onzekerheid over de loonkosten in de eerstkomende jaren uitsluiten. Maar in een laatkapitalistische parlementaire democratie die normaal functioneert en waarin er een minimum aan vrije ontplooiing van de arbeidersbeweging resp. van de klassenstrijd bestaat, is die techniek op den duur niet te verwezenlijken en in de praktijk een mislukking gebleken.[51] Tijdens de ‘lange golf met expansieve grondtoon’ tendeerde de arbeidsmarkt van een steeds groeiend aantal landen in het algemeen naar een groeiende schaarste aan arbeidskrachten, zodat een dergelijke politiek in conflict kwam met de marktwetten. Men probeerde de arbeiders te bedriegen over hun kansen op loonsverhoging in deze betrekkelijk gunstige markttoestand. Dit konden veel arbeiders uit eigen ervaring verifiëren (mogelijkheid om van werk te veranderen, toeslagen buiten de cao om, soms weglokken van personeel bij andere bedrijven). Zelfs een vakbeweging die slechts gedeeltelijk openstond voor de invloed van de basis kon zich op den duur niet onttrekken aan de gevolgen van die empirische bevindingen van haar leden. Het werd duidelijk dat een ‘vrijwillige’ exacte loonplanning tussen ondernemers en vakbonden onmogelijk was en de neiging ontstond om de staat tot bemiddelaar te maken: ‘inkomenspolitiek’, ‘geconcerteerde actie’, enz. Het vastleggen van de normen inzake loonsverhoging waaraan beide partijen zich te houden hadden, kwam steeds meer in de plaats van puur contractuele langlopende akkoorden.

Maar dezelfde wetten en krachten die de langlopende cao’s tot mislukken veroordeelden, pleitten ook tegen de ‘inkomenspolitiek’. De loontrekkenden ontdekten vlug, dat een burgerlijke staat wel bij machte is om de lonen en loonsverhogingen te plannen en te controleren, maar niet om prijsstijgingen van waren en inkomensverhogingen van andere maatschappelijke klassen, in eerste instantie van kapitalisten en kapitalistische ondernemingen, te bedwingen. ‘Inkomenspolitiek’ blijkt een ‘loonpolitie’ te zijn, d.w.z. niets anders dan een poging om de loonsverhogingen kunstmatig te beperken.[52] Tegen die bijzondere vorm van oplichterij verweren de loontrekkenden zich evenzeer als tegen de vrijwillige zelfbeperking van de vakbonden. Door druk op de vakbonden, ‘wilde stakingen’ of beide proberen ze te bereiken, dat de verkoop van de waar arbeidskracht tenminste aan de verhoudingen op de arbeidsmarkt wordt aangepast als die relatief gunstig liggen voor de verkopers en niet alleen als die tegen de belangen van de verkopers ingaan.

Bijgevolg vereist de planning van de loonkosten op middellange en lange termijn overeenkomstig de behoeften van de grote concerns in het laatkapitalisme maatregelen van de burgerlijke staat, die de vrijwillige zelfbeperking van de vakbonden of de met de medewerking van de vakbondsbureaucratie gevolgde ‘inkomenspolitiek’ ver te buiten gaan. Om op zijn minst enige efficiëntie te waarborgen is er bovendien behoefte aan een wettelijke beperking van de vakbondsautonomie bij de loononderhandelingen en aan wettelijke beperking van het stakingsrecht. Als tegelijkertijd het tekort aan arbeidskrachten, d.w.z. de feitelijke volledige werkgelegenheid (een voor het grootkapitaal ongunstige omstandigheid), vermeden en het industriële reserveleger weer opgebouwd kan worden, dan zal het complex van de zo-even genoemde maatregelen inderdaad een zeker effect hebben, zoals dit in de VS sinds het aannemen van de Taft-Hartley wet tot het midden van de jaren ’60 het geval was. Als de al in het klassieke imperialistische tijdperk beginnende integratie van de vakbonden in de burgerlijke staat zich zou voortzetten,[53] verliezen de loontrekkenden meer en meer ieder belang bij de financiële ondersteuning (contributies) van dit apparaat. Dan verdwijnt de massabasis van de vakbonden. Maar omdat de burgerlijke klasse het vakbondsapparaat voor die integratie niet bestraffen maar belonen wil, moet dit verlies aan contributies geneutraliseerd resp. gecompenseerd worden. Rechtstreekse contributieheffing door de ondernemer aan de bron, d.w.z. verplicht lidmaatschap van de vakbond, zou het eindpunt van die ontwikkeling zijn. Dan zouden we de openlijke omvorming van de vrije vakbonden in staatsvakbonden beleven, de omvorming van de vakbondscontributie in belasting en de omvorming van het vakbondsapparaat in een specifiek deel van de staatsbureaucratie, met als opdracht om de waar arbeidskracht te ‘beheren’, net zoals andere delen van dit apparaat gebouwen, vliegtuigen of spoorwegen beheren.[54] Daar de loontrekkenden een dergelijke ontwikkeling echter niet accepteren en er zich nieuwe, particuliere of ‘illegale’ bemiddelaars tussen verkopers en kopers van de waar arbeidskracht zouden schuiven, om voor de verkopers de hoogst mogelijke prijs te bedingen, zou een dergelijk systeem van staatsvakbonden een scherpere passieve en actieve repressie, d.w.z. een aanzienlijke beperking niet alleen van het stakingsrecht, maar ook van het recht op coalitie, vergadering, betoging en persvrijheid tot gevolg hebben.[55] De tendens tot uitschakeling van de strijd tussen kopers en verkopers van de waar arbeidskracht bij de bepaling van de prijs van die waar culmineert in laatste instantie in een beslissende beperking resp. opheffing van de democratische vrijheden, d.w.z. in de dwangverhoudingen van een ‘sterke staat’ — tenzij de vakbonden erin slagen, onder druk van de steeds actiever wordende leden die de vakbondsdemocratie herstellen, aan een verdere integratie in het burgerlijk staatsapparaat te ontsnappen en terug te keren tot een vastberaden verdediging van de werkelijke fundamentele belangen van de loontrekkenden. Dat zal overigens niet alleen de nauwkeurige kosten, d.w.z. loonkostenplanning van de grote concerns, maar ook elke poging tot indicatieve economische programmering van de burgerlijke regeringen doen wankelen. De vakbonden zullen dan vaker in botsing komen niet alleen met afzonderlijke concerns en ondernemingen, niet alleen met ondernemersverbonden, maar ook met de regeringen en het burgerlijke staatsapparaat. Want toenemende vervlechting van de concernbelangen met de economische, monetaire, financiële en handelspolitiek van de regering hoort tot de kenmerken van het laatkapitalisme.

Deze botsing krijgt dan noodzakelijk het karakter van een krachtproef tussen de arbeiders enerzijds en de burgerlijke klasse en de burgerlijke staat anderzijds, waarbij het kapitaal opnieuw moet proberen om de activiteiten van de arbeidersorganisaties, die zijn fundamentele belangen bedreigen — deze keer ook van de ‘officiële’ vakbonden — vergaand te verlammen resp. te onderdrukken. Als het kapitaal de krachtproef zou winnen, zouden ook in dat geval toenemende beperkingen van het stakingsrecht, van de vrijheid van coalitie, vergadering, betoging en pers het eindpunt van de ontwikkeling zijn.

De ondernemers van hun kant proberen de gevolgen van de tijdelijke verdwijning van het industriële reserveleger, die voor de wijziging in de krachtsverhouding tussen verkopers en kopers van de waar arbeidskracht zo belangrijk zijn, in hun voordeel te veranderen. Methoden als job evaluation, Measured Time Work, Methods Time Measurement e.a.[56] moeten de collectieve verkoop van de waar arbeidskracht door individualisering van het loon ongedaan maken, d.w.z. de loontrekkenden opnieuw atomiseren en de concurrentie in hun rangen stimuleren. Succes of mislukken van die pogingen hangen op hun beurt hoofdzakelijk af van de krachtsverhouding tussen kapitaal en arbeid.[57]

De samenhang van de tendens tot verkorting van de rotatietijd van het vaste kapitaal met de tendens tot uitholling van de autonomie van de vakbonden bij het bedingen van het loonpeil verduidelijkt een algemene wet: de aan het laatkapitalisme inherente dwang tot steeds grotere systematische controle over alle elementen van het productie-, circulatie- en reproductieproces, een systematische controle, die niet bereikt kan worden zonder reglementering van het hele economische en maatschappelijke leven. Eén van de oorzaken van die wet ligt in de geweldige concentratie van economische macht bij enkele tientallen grote concerns en financiersgroepen in ieder land afzonderlijk, en bij enkele honderden grote concerns en financiersgroepen in de totaliteit van alle kapitalistische landen. Dat de concentratie van economische macht streeft naar een overeenkomstige samenballing van sociaalpolitieke macht, had Rudolf Hilferding al vóór de Eerste Wereldoorlog in de conclusie van zijn boek Das Finanzkapital een kenmerk genoemd van het hele imperialistische resp. monopoliekapitalistische tijdperk: ‘Economische macht betekent tegelijkertijd politieke macht. De heerschappij over de economie geeft tegelijkertijd beschikking over de machtsmiddelen van de staat. Hoe sterker de concentratie in de sfeer van de economie, des te onbeperkter de staat wordt beheerst. Deze samenballing van alle machtsmiddelen van de staat verschijnt als zijn hoogste machtsontplooiing, de staat als onoverwinnelijk instrument om de economische heerschappij in stand te houden, maar hierdoor verschijnt de verovering van de politieke macht tegelijkertijd als voorwaarde voor de economische bevrijding.’ [58]

In de laatkapitalistische fase voegen zich nog andere drijvende krachten bij deze algemene oorzaak. De boven beschreven tendens tot nauwkeurige kostenplanning en indicatieve economische programmering gaat gepaard met de noodzaak tot een scherpere controle niet alleen op het loonpeil resp. de loonkosten, maar op alle elementen van de reproductie van het kapitaal: ‘geprogrammeerd’ onderzoek en vernieuwing; georganiseerd opsporen van grondstoffen; geprogrammeerd ontwerpen van nieuwe machines; geleide en geplande reproductie van gekwalificeerde arbeidskracht; geleide consumptie van de arbeiders; vastleggen van het aandeel van de particuliere consumptie in het nationaal inkomen of bruto nationaal product enz. De hele ontwikkeling is objectief echter niets anders dan een opleiding van het proletariaat tot een politieke klassenstrijd op het niveau van de hele economie en niet alleen op dat van het afzonderlijke bedrijf. Daarom moet er tegelijkertijd voor worden gezorgd, dat het feitenmateriaal, dat de empirische wetenschap voor de specifieke doeleinden van de laatkapitalistische burgerij en de laatkapitalistische staat in reusachtige hoeveelheden moet verzamelen, de arbeiders ofwel helemaal niet ofwel alleen in partiële, geïdeologiseerde en verhulde vorm toegankelijk wordt, die de werkelijke klasse-, machts- en uitbuitingsverhoudingen verdoezelt en daarom zowel resultaat als bron van vervreemding is. Daarom moet de organisatorische, reglementerende en uniformerende functie van de laatkapitalistische staat ook uitgebreid worden tot de hele bovenbouw, vooral tot de sfeer van de ideologie en van de technieken die het proletarische klassebewustzijn irriteren.

In hoever dit echter met succes kan gebeuren of in hoever het succes van die inspanning beperkt wordt door het onvermogen van het systeem om op lange termijn zijn objectieve tegenspraken af te breken en te verhullen, in hoever dus in laatste instantie de objectieve krachtsverhoudingen tussen de klassen — die minstens voor een deel afhangen van de objectieve vatbaarheid voor crises van het laatkapitalisme — ook de subjectieve verhoudingen tussen de klassen moeten beïnvloeden, zullen we later onderzoeken.[59]

De binnen het concern en de onderneming doorgeorganiseerde laatkapitalistische planningstendens heeft evenwel gevolgen voor de structuur van de burgerlijke klasse en het beheer van de economie zelf. De dwang tot nauwkeurige calculatie op concern- en bedrijfsniveau, samen met de dwang tot maximale bezuiniging op het constante kapitaal, leidt tot een verfijning en verwetenschappelijking van de organisatietechniek der laatkapitalistische monopolies.[60] Een vérgaand vertechniseerde arbeidsdeling treedt nu in de plaats van de oude, hoofdzakelijk op controle over de arbeidskracht en het uitpersen van meerwaarde berustende bedrijfshiërarchie. Zo ontstaat de schijn, dat de bureaucratisering van het concernbeheer gelijkstaat aan een feitelijke bureaucratisering van de kapitaalfunctie, d.w.z. een progressieve overdracht van de beschikkingsmacht over de productiemiddelen aan een steeds groter wordend leger van managers, directeuren, ingenieurs, grote en kleine ‘bazen’.[61] De werkelijkheid ziet er echter anders uit. De ingrijpende vertechnisering en rationalisering van het bedrijfs- en concernbeheer vormt nl. een dialectische eenheid van twee tegenstellingen: de toenemende overdracht van beslissingsmacht in detailkwesties enerzijds en de groeiende concentratie van beslissingsmacht op de voor de valorisering van het kapitaal belangrijke niveaus anderzijds. Organisatietechnisch komt dit overeen met het tot stand komen van het ‘multidivisionele concern’[62] en de noodzaak om de met die organisatievorm verbonden gezagsdelegatie aan de vereisten van de totale rentabiliteit van het concern te onderwerpen.[63]

De sinds de opkomst van de naamloze vennootschappen bekende, door Marx kort beschreven en door Engels nader gekarakteriseerde tendens om de leiding van het ‘directe productieproces’ technisch te scheiden van het accumulatieproces van het kapitaal, breidt zich in het laatkapitalisme verder uit.[64] De eigenlijke productietechniek, zoals het wetenschappelijk onderzoek in de laboratoria, het marktonderzoek, de reclame en de opbouw van een distributieapparaat, kan zich in grote mate verzelfstandigen. Maar in laatste instantie blijft de rentabiliteit, d.w.z. de valorisering van de totale in het concern geaccumuleerde kapitaalmassa, de doorslaggevende factor.[65] Bij onvoldoende valorisering kan het hele productie-, onderzoeks-, reclame- en distributieprogramma van het concern met één slag omver worden gegooid, zonder dat de grote aandeelhouders die de raad van bestuur domineren, zouden buigen voor de ‘vakkennis’ van de ingenieurs, laboranten en marktonderzoekers. Het concern kan zelfs verkocht resp. tijdelijk gesloten of definitief ontbonden worden, zonder dat al die ‘managers’, technici en detailbeheerders daar ook maar iets tegen kunnen doen. De eenheid van overdracht van beslissingsmacht in detailkwesties en concentratie van beslissingsmacht op het niveau van de kapitaalvalorisering is dus een tegenstrijdige eenheid, waarbij in laatste instantie de kapitaalverhouding, d.w.z. de beschikkingsmacht over de grootste kapitalen, of nog anders uitgedrukt: het privébezit, de doorslag geeft.

De fout van diegenen die de stelling van de ‘bureaucratisering’ van de concerns of van de heerschappij van de ‘technostructuur’ verdedigen, ligt hierin dat ze de technische articulatie van de machtsuitoefening verwisselen met de economische basis, d.w.z. met de werkelijke oorzaak ervan. Het problematische karakter van het begrip ‘manager’ blijkt al zodra het probleem van de relatieve financiële zelfstandigheid van de grote concerns in een periode van versnelde groei, d.w.z. met een hoge zelffinancieringsquote, verwisseld wordt met het zogenaamde belangenconflict tussen de op aandelenbezit gebaseerde grote burgerij en de concernbeheerders. Het is ongetwijfeld een feit, dat de zelffinancieringsquote gestegen is vergeleken met de vooroorlogse periode; het is echter ook een feit dat die conjunctureel begrensd is. Dit heeft niets te maken met een belangentegenstelling tussen managers en grote aandeelhouders, die immers veel meer geïnteresseerd zijn in een waardeverhoging van hun aandelen dan in een verhoging van de dividenden. Het valt niet te ontkennen dat de Amerikaanse economie nog steeds door het collectief van grote aandeelhouders beheerst wordt[66] — ook al hoeven ze zich in de regel niet in het dagelijks beheer van de concerns te mengen. Anderzijds moet men bedenken, dat in een kapitalistische maatschappelijke orde, waarin op den duur alleen eigendom, d.w.z. kapitaalbezit, inkomen en macht kan waarborgen, de managers zelf duidelijk baat hebben bij het verwerven van aandelen, omdat dit de enige weg is om de poort van de heersende klasse van kapitaalbezitters te bereiken en binnen te gaan. Zo leende zich bijv. de techniek van de premieaffaires bijzonder goed voor dit doel; zodra deze in de VS belastingtechnisch in twijfel werden getrokken, moesten andere hulpmiddelen dezelfde functie vervullen.[67]

De verkorte rotatietijd van het vaste kapitaal, de versnelde morele slijtage van de machines en het overeenkomstige toegenomen belang van de intellectuele arbeid in de kapitalistische productiewijze impliceren voor de doorslaggevende kapitaalbezitters in feite een accentverschuiving in hun eigen activiteit. Terwijl deze in het tijdperk van het kapitalisme van de vrije concurrentie hoofdzakelijk in de sfeer van de directe productie en in het tijdperk van het klassieke imperialisme in de sfeer van de accumulatie (heerschappij van het financierskapitaal) lag, ligt deze in het tijdperk van het laatkapitalisme in de sfeer van de reproductie.[68]

Zowel de productie- als de accumulatiesfeer zijn vérgaand ‘vertechniseerd’ en verzelfstandigd. Objectief wetenschappelijke regels garanderen een min of meer ‘glad’ verloop van die processen[69] (in het kader van de ‘lange golf met expansieve grondtoon’ tussen 1940 en 1965 was de financiering van de investeringen via de prijzen, d.w.z. zelffinanciering onafhankelijk van de banken, bij de grote monopolies de regel). Daarom kan de ‘beslissingsmacht’ daar aan vakmensen worden overgedragen, deze dient immers slechts om het onberispelijke functioneren van vooraf bepaalde processen te verzekeren.[70] Waar het voor de toekomst en het welzijn van de monopolistische en oligopolistische concerns op aankomt is niet het verloop maar de selectie van die processen, d.w.z. de beslissing wat, waar en hoe geproduceerd moet worden, of preciezer: waar en hoe de uitgebreide reproductie moet plaatsvinden. Juist omdat de versnelde technologische vernieuwing, de versnelde morele slijtage van de materiële productiemiddelen, de kortere rotatietijd van het vaste kapitaal een grotere onzekerheid in de reproductiesfeer met zich meebrengen dan in het tijdperk van het klassieke imperialisme resp. het klassieke monopoliekapitalisme, zijn de beslissingen die op dat niveau worden getroffen de werkelijk strategische beslissingen, die over leven en dood van de concerns beslissen en hun stempel drukken op de totaaleconomische ontwikkelingstendensen. Deze beslissingen zijn voorbehouden aan de eigenlijke beheersers van het kapitaal, de grote aandeelhouders, de concernheren en de financiersgroepen.[71]

Fundamenteel berust de onmogelijkheid van een feitelijke coördinatie tussen de economische plannen van verschillende privéconcerns niet op de onzekerheid en discontinuïteit van de technische vooruitgang — zoals door burgerlijke economen beweerd wordt,[72] maar op het feit dat wat vanuit het standpunt van de individuele concerns rationeel gedrag is, totaalmaatschappelijk tot volstrekt irrationele resultaten kan en periodiek moet leiden. Maximalisering van de opbrengst in de nationale economie als geheel betekent niet eenvoudigweg de som van de winstmaximaliseringen van de individuele concerns. Geen continue technische vooruitgang, maar discontinue technische vooruitgang in privéconcerns gekoppeld aan de verwachting van particuliere winstmaximalisering — d.w.z. privébezit en warenproductie — ligt ten grondslag aan de fundamenteel niet te overwinnen instabiliteit en discontinue economische ontwikkeling in de kapitalistische productiewijze. Daarom is de voor het laatkapitalisme kenmerkende tegenspraak tussen de dwang tot planning binnen het concern en het onvermogen om op totaaleconomisch vlak verder te komen dan een ‘indicatieve’ economische programmering, niets anders dan een versterkte uiting van de algemene, aan het kapitalisme inherente en door Marx en Engels ontdekte tegenspraak tussen geplande organisatie van delen van het economische proces (de productie binnen de fabriek, de afzet binnen het concern enz.) en de anarchie van de door de waardewet bestuurde economie als geheel: ‘De tegenspraak tussen maatschappelijke productie en kapitalistische toe-eigening doet zich nu voor als tegenstelling tussen de organisatie van de productie in de afzonderlijke fabriek en de anarchie van de productie in de hele maatschappij.[73] Deze tegenspraak tussen partiële rationaliteit en algemene irrationaliteit die in het laatkapitalisme ten top gedreven wordt, is, zoals we nog zullen zien, de sleutel tot het begrip van de laatkapitalistische ideologie.[74]


[1] Zie voor dit onderwerp het volgende hoofdstuk van dit boek.
[2] De omvang van de door het industriekapitaal zelf gedane uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling nam in de VS toe van minder dan $ 100 miljoen vóór de Tweede Wereldoorlog tot $ 2,24 miljard in 1953 en $ 5,57 miljard in 1963. Deze cijfers houden geen rekening met de door de staat gefinancierde uitgaven (Edwin Mansfield, The Economics of Technological Change, Londen 1969, p. 55). Charles Levinson (Kapitaal, inflatie en de multinationale ondernemingen, p. 46) noemt totale particuliere uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling (dus niet alleen in de industrie) ten bedrage van $ 17 miljard in 1968 en $ 20,7 miljard in 1970.
[3] De vice-president van het Budd concern brengt dit duidelijk onder woorden: ‘Iedere vernieuwing die de moeite loont moet gepaard gaan met een winstmarge die dramatisch boven de “normale” ligt’ (Aaron J. Gellman, ‘Market Analysis and Marketing’, in: Maurice Goldsmith (ed.), Technological Innovation and the Economy, Londen 1970, p. 131).
[4] Over de toegenomen snelheid van de machines sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog, zie o.a. Hansjörg Reuker, ‘Einfluss der Automatisierung auf Werkstück und Werkzeugmaschine’, in: Fortschrittberichte, reeks 1, nr. 8, okt. 1966, pp. 29-30; W.E.G. Salter, p. 44; Kruse, Kunz, Uhlmann, pp. 59-60. De snelheidstoename is één van de voornaamste oorzaken voor de automatisering, die op haar beurt de snelheid van het productieproces geweldig opdrijft en wel doordat de productiesnelheid niet langer afhankelijk is van het ritme van de traagste arbeidsoperatie, die het werk aan de lopende band bepaalt; daarvoor in de plaats komt de praktijk van de gemeenschappelijke en gelijktijdige toename (Pierre Naville, ‘Division du travail et répartition des taches’, in: Georges Friedman, Pierre Naville (eds.), Traité de sociologie du travail, deel 1, Parijs 1961, pp. 380-381). Marx heeft het probleem van de versnelde machinale arbeid o.a. behandeld in Das Kapital I, p. 434 e.v.; Das Kapital III, p. 243.
[5] Harry Nick, p. 17.
[6] Zie hoofdstuk 13 van dit boek.
[7] Meer daarover in hoofdstuk 13 van dit boek. Zie ook Geoffrey Kay, Development and Underdevelopment, pp. 156-164, 165-166.
[8] Geciteerd in: Bureau Internationaal du Travail, L’Automation — Méthodologie de la recherche, Genève 1964, p. 27.
[9] Fr. Pollock, p. 37.
[10] Lawrence J. White, The Automobile Industry since 1945, Harvard University Press, 1971, pp.39, 57-59.
[11] MEW 31, p. 329 e.v. De brief dateert van 27 augustus 1867.
[12] C. Freeman, ‘Research and Development in Electronic Capital Goods’, in: National Institute Economic Review, nr. 34, november 1965, p. 68.
[13] Ammann, Einhoff, Helmstadter, Isselhorst, p. 30.
[14] In 1961 werd het equipment service life in de verwerkende industrie 34 % lager geschat dan in 1942 (Allan H. Young, ‘Alternative Estimates of Corporate Deprecation and Profits’, deel I, in: Survey of Current Business, vol. 48, nr. 4, april 1968. p. 20. — Zie ook hetzelfde opstel, deel II, Survey of Current Business, vol. 48, nr. 5, mei 1968, pp. 18-19, 22). Volgens de schatting van George Jaszi daalt de gemiddelde feitelijke levensduur van het vaste kapitaal in de Amerikaanse industrie (inclusief gebouwen) van 12 jaar in 1945 tot 10,3 jaar in 1950, 9,4 jaar in 1953 en 8,5 jaar in 1961 (Survey of Current Business, november 1962).
[15] George Terborgh, Business Investment Policy, Machinery and Allied Products Institute, Washington 1962, pp. 158, 168, 179.
[16] National Institute Economie Review, nr. 45, augustus 1968, p. 39. — Harry Nick (p. 59) beweert dat in de chemische industrie het vaste kapitaal elke vijf à zes jaar vernieuwd wordt.
[17] Slechts twee voorbeelden: ‘Een snellere veroudering (...) zal waarschijnlijk het tegengestelde effect hebben. De uitrusting moet in kortere tijd worden afgeschreven (...). We mogen verwachten dat de veroudering met de tijd zal versnellen, niet alleen door een versnelling van de technische vooruitgang, maar ook door een verandering in de verhouding tussen het loonpeil en de prijzen van kapitaalgoederen die, zoals wij hierna zullen aantonen, een snellere vervanging aanmoedigt’ (W.E.G. Salter, p. 38). — ‘Het kan zijn dat de lineaire afschrijving wegens waardedaling niet geschikt is voor automatische uitrustingen, omdat ze een kort bestaan hebben en aan het begin ervan nogal snel in waarde dalen’ (L. Landon Goodman, Man and Automation, 1957, p. 207).
[18] De eerste kolom is afkomstig uit P.G. Wojtiechow, Amortisationsnormen und Eigentumsbewertung, geciteerd in A. Herzenstein, p. 307. De tweede kolom komt uit het Bulletin F van het US Bureau of Internal Revenue, 1942. De derde kolom is overgenomen uit de beschikking van het West-Duitse ministerie van financiën van 15 augustus 1957 over investeringsgoederen die voor afschrijving in aanmerking komen. De vierde kolom is afkomstig uit het boek van Jacques Mairesse, L’évaluation du capital fixe productif, Collections de l’INSEE, série C, nr. 18-19, november 1972.
[19] Veel auteurs schatten de periode tussen feitelijke uitvinding en renderende productie op 10 tot 15 jaar. Edwin Mansfield (p. 102) citeert een door Frank Lynn opgestelde tabel, waaruit blijkt dat de periode tussen uitvinding en commercialisering in de periode 1945-1964 op 14 jaar geschat kan worden (in de periode 1920-1944 moet deze 24 jaar bedragen hebben).
[20] Harry Nick, p. 20.
[21] ‘De met de toenemende automatisering stijgende kapitaalinvesteringen, die een verhoging van de tijdgebonden kosten impliceren, verminderen de elasticiteit van de bedrijven. Als de duur van het economisch nuttig gebruik, d.w.z. de jaarlijkse afschrijvingsquote, constant blijft, zal er bij een voortijdige beperking van de productiecapaciteit meer kapitaal in het tot stilstand gebrachte productiemiddel gebonden blijven, naarmate er meer kapitaal in geïnvesteerd is. De met de automatisering stijgende kapitaalbehoefte stuwt naar een zo volledig mogelijke inzet van de productiemiddelen. Om de door de automatisering toegenomen tijdsgebonden kapitaalkosten te dekken, is een zo groot en intensief mogelijke benutting van de capaciteit vereist’ (Kruse, Kunz, Uhlmann, p. 46).
[22] K.G.H. Binning, ‘The Uncertainties of Planning Major Research and Development’, in: B.W. Denning (eds.), Corporate Long Range Planning, Londen 1969, p. 172 e.v.
[23] ‘Door de automatisering stijgt het aantal mechanismen met verschillende capaciteiten. Daarom wordt een planning van het productieprogramma met het oog op een optimaal, capaciteitsgebruik omvangrijker en moeilijker en zonder computer economisch niet meer oplosbaar’ (Kruse, Kunz, Uhlmann, p. 46).
[24] K.G.H. Binning, p. 172.
[25] Nikolaus Heckmann, Ein synergistisches Modell des Long-Range Planning, Berichte des Vereins Deutscher Ingenieure, VDI-Verlag, Düsseldorf, reeks 16, nr. 1, 1965, p. 123.
[26] Uit een onderzoek van het IFO-München is gebleken, dat in het midden van de jaren ’60 75 % van de ondervraagde grote West-Duitse firma’s een 2- tot 3-jarig investeringsplan en 33 % van de grote firma’s een 4 of meerjarig investeringsplan doorvoerden. De afdeling ‘investeringen’ staat bovenaan in alle plannen op lange termijn (R. Bemerl, F.O. Bonhoeffer, W. Strigel, ‘Wie plant die Industrie?’, in: Wirtschaftskonjunktur, 19de jaargang, nr. 1, april 1966, p. 31). Zie ook: ‘Om al die redenen hebben wij bij Merck de noodzaak gevoeld om onze groei en operaties in een perspectief van 5 jaar te plannen’ (Antonie T. Knoppers, ‘A Management View of Innovation’, in: B.W. Denning (ed.), Corporate Long Range Planning, p. 172).
[27] De toepassing van door de NASA uitgewerkte technieken om ruimtevaartuigen te kunnen volgen (space tracking) heeft geleid tot vooruitgang bij het gebruik van computers voor de analyse van katalyserende stoffen in de chemische industrie en bij de kwaliteitstest van nieuwe auto’s in de automobielfabrieken (The Times, 28 juni 1968).
[28] ‘Marktonderzoek benadert een reeds bestaande markt; marktanalyse bepaalt of er al dan niet een markt bestaat’ (Aaron J. Gellman, p. 137).
[29] Zie o.a. hoofdstuk 6 in Vance Packards The Waste Makers, Pelican Books, 1963, dat handelt over de geplande veroudering.
[30] Zie Ernest Mandel, Marxistische Wirtschaftstheorie, pp. 522-530.
[31] Over de strategie van de concerns inzake differentiëring, zie o.a. Nikolaus Heckmann, pp. 71-76. H.I. Ansoff, T.A. Anderson, F. Norton, J.F. Weston, ‘Planning for Diversification through Merger’, in: H. Igor Ansoff (ed.), Business Strategy, Penguin Books, 1969, p. 290 e.v.
[32] Zie voor dit probleemcomplex hoofdstuk 10 van dit boek.
[33] Volgens Ottomar Kratsch (Die Wirkung der Amortisationen auf die Akkumulation des Kapitals im staatsmonopolistischen Kapitalismus, Berlijn 1962, p. 149) vormden de afschrijvingen tussen 1948-1949 en 1959 altijd meer dan 2/3 der bruto investeringen van de West-Duitse industriële nv’s, met een maximum van 75 % in 1959. De auteur heeft gelijk, als hij in die cijfers grote hoeveelheden verborgen winsten vermoedt, d.w.z. waar hij vaststelt, dat een aanzienlijk deel van die reserves niet gediend heeft voor de vervanging, maar voor de uitbreiding van het bestaande vaste kapitaal zowel in waarde als in omvang. Maar hij verzwakt zijn stelling door elke versnelling in de morele slijtage (en dus ook in de effectieve levensduur) van het vaste kapitaal te loochenen (pp. 229-231).
[34] Lawrence J. White, p. 39.
[35] 61 % van de ondervraagde West-Duitse ondernemingen vinden schattingen van staatswege over de groei op middellange termijn wenselijk als basis voor hun planning. Onafhankelijk van de al gebruikte informatie wensen meer dan de helft van de ondervraagde ondernemingen, dat de evaluatie van de hele economische ontwikkeling en bepaalde afzetmarkten evenals de verwerking van andere officiële gegevens die relevant zijn voor de bedrijfsplanning in eerste instantie door de economische organisaties ondernomen worden (R. Bemerl. F.O. Bonhoeffer, W. Strigel, ‘Wie plant die Industrie?, in: Wirtschaftskonjunktur, 19de jaargang, nr. 1, april 1966, pp. 42, 33).
[36] M. Lohmann, Der Wirtschaftsplan des Betriebes und der Unternehmung, Berlijn 1928.
[37] Generaal Carl von Clausewitz, Vom Kriege, Berlijn, p. 47: ‘De beslissing op grond van wapengeweld is voor alle grote en kleine oorlogsoperaties, wat de betaling in gereed geld voor de wisselhandel is; hoe ver die betrekkingen ook uiteenliggen, hoe zelden de realisering van die beslissing zich ook voordoet, volledig kunnen ze nooit uitblijven.’
[38] Nikolaus Heckmann, p. 42. — Bemerl, Bonhoeffer, Strigel, p. 30. — Zie ook titels als Business Strategy (ed. H. Igor Ansoff); Alfred D. Chandler, Strategy and Structure.
[39] Dat hij geen rekening hield met het verschil tussen winstmaximalisering op korte en op lange termijn, is één van de fundamentele fouten in John Kenneth Galbraith’s The New Industrial State (Pelican Book, 1969). In hoofdstuk 15 van dit boek komen we hierop terug.
[40] Management Decision Making, ed. Gordon Yewdall, Londen 1969, p. 91 e.v. — Bemerl, Bonhoeffer, Strigel, p. 34: ‘Marktverwachtingen en rentabiliteitsoverwegingen (oefenen) de grootste invloed (uit) op de planning van de onderneming op middellange termijn.’
[41] ‘Een deel van de benodigde informatie heeft betrekking op processen en toestanden binnen de onderneming. De mate waarin die beschikbaar is en daarmee ook de doorzichtigheid van het bedrijf kunnen vergaand door de ondernemingsleiding zelf bepaald worden’ (Bemerl, Bonhoeffer, Strigel, p. 32). De beschikbaarheid van gegevens hangt natuurlijk af van de beschikkingsmacht over de middelen, en niet omgekeerd.
[42] Het kan voorkomen, dat ook op concern- en zelfs bedrijfsniveau ‘rentabiliteitsberekeningen’ voor afzonderlijke afdelingen worden opgesteld. Deze worden gebruikt als index voor de relatieve efficiëntie van het management van die afdeling (zie o.a. A.J. Merrett, ‘Incomes, Taxation, Managerial Effectiveness and Planning’, in: B.W. Denning (ed.), Corporate Long Range Planning, pp. 90-91). Het gaat hier echter om een fictieve of gesimuleerde rentabiliteit, aangezien er voor die afdelingen geen onafhankelijke kapitalen bestaan en de investeringen in deze afdelingen niet afhangen van die ‘rentabiliteit’, maar van het totale strategische plan voor het concern.
[43] ‘Het centrale idee van de (Franse) planning bestaat in de integratie van de totaliteit van deze wederzijdse afhankelijkheidseffecten en de uitbreiding tot de hele economie van het ondernemersgedrag in de staalsector tegenover zijn leveranciers en afzetmarkten. Het instrument van dit brede marktonderzoek op nationaal niveau is het door Francois Quesnay uitgedachte “Tableau Economique”, dat Leontief weer heeft opgevat en in Frankrijk door Gruson is geperfectioneerd. De procedure bestaat uit overleg binnen de moderniseringscommissies. (...) Een dergelijke coördinatie zou eveneens indirect via de invloed van de overheersende industriële groepen door te voeren zijn. (...) Het is in het algemeen belang, dat de confrontatie van vooruitzichten en beslissingen van de privésector plaatsvindt in het kader van een openbare procedure’ (Pierre Massé, Le plan ou l’anti-hasard, Parijs 1965, p. 173).
[44] Alfred Bönisch (‘Theoretische Probleme gesamtwirtschaftlicher Prognosen im modernen Kapitalismus’, in: Probleme der politischen ökonomie, deel 9, Berlijn 1966) beklemtoont, net zoals wij, het fundamentele verschil in karakter tussen socialistische planificatie en kapitalistische economische programmering, maar overdrijft de efficiëntie en uitbreidingsmogelijkheid van laatstgenoemde om de doeleinden van het plan werkelijk te kunnen realiseren (p. 226-227). Bönisch verwisselt hier algemene oriënteringsdoelen van de monopolies, bijv. versnelde concentratie en centralisatie van het kapitaal, met specifieke productiedoelen of economische aggregaten.
[45] ‘Individuele bedrijven die afzonderlijke marktstudies verrichten, kunnen ontdekken dat de toestand van de markt noch wat betreft het aanbod van inputs noch wat betreft de vraag naar outputs enige expansie van de firma vereist. Deze beoordeling kan binnen dit kader volledig juist zijn. Maar als een gerespecteerd planbureau 10 % expansie als streefcijfer opstelt, blijkt dit zowel individueel als collectief gemakkelijk gehaald te kunnen worden, behalve natuurlijk in de buitenlandse sector.(...) Het Japanse plan ‘voorspelt’ hoe de particuliere en openbare sector zich zouden gedragen als ieder bedrijf en ministerie uitvoerig onderzoek zouden doen op micro- en macroniveau naar alle belangrijke economische factoren en mogelijkheden zowel in binnen- als buitenland en vervolgens een optimistischer gedrag ten toon zouden spreiden. Als zodanig zijn de Japanse plannen voorspellingen van wat het optimale gedrag van de Japanse economie als geheel en in de diverse sectoren zou zijn. (...) Kortom, in Japan berust de uitvoering of toepassing van het plan geheel op het “aankondigingseffect” van het plan, en het Economische Planbureau handelt als een consulent, niet als een directeur’ (K. Bieda, pp. 57, 59-60).
[46] Andrew Shonfield, Modern Capitalism, Oxford University Press, 1965 (we citeren naar de paperbackuitgave van 1969), pp. 231-232, 255-257, 299-300.
[47] Nikolaus Heckmann, p. 60.
[48] ‘Het onbetwiste feit dat er weinig of geen geteste en beschikbare methoden bestaan, die het mogelijk maken de behoeften op lange termijn nauwkeurig genoeg te voorspellen en direct in de besluitvorming te betrekken, betekent eveneens de erkenning van de moeilijkheid van dit onderwerp’ (toekomstige ontwikkeling van de markt resp. van de afzet — E.M.) (K.G.H. Binning, pp. 170-171).
[49] ‘Volgens het plan zou de economie in 1962 met 4 % groeien. Maar wat gebeurde er? De economie groeide niet met 4 %, en dat leidde tot een overschot aan investeringsgoederen in de elektriciteitsindustrie, de staalfabricage en in vele andere industrieën.’ I. Maddock, in: Corporate Longe Range Planning (B.W. Denning, ed.), p. 197. — Over onjuiste prognoses van de Zweedse economische programmering zie Holger Heide, Langfristige Wirtschaftsplanung in Schweden, Tübingen 1965.
[50] Cijfers tot 1963: Rapport sur les comptes de la nation de 1963, geciteerd door Francois Sellier, ‘Investitionspolitik bei technischem Fortschritt’, in: Automation — Risiko und Chance, deel I, Frankfurt 1965, p. 236. Voor 1964-1969: alleen bruto kapitaalvorming in de productieve sectoren, uit: Jacques Mairesse, p. 52.
[51] De tendens om langlopende cao’s te sluiten is o.a. in de VS, de Bondsrepubliek en België weer teruggedraaid.
[52] Pierre Bauchet (La planification francaise, Parijs 1966, p. 320 e.v.) geeft toe, dat de Franse vakbondsleidingen de loonsverhogingen beperkt hebben, terwijl tegelijkertijd de officiële prijsindex vervalst werd, de regering met andere woorden niet in staat was om de prijsverhogingen te controleren en er ook geen sprake was van een controle op de niet-uitgekeerde winsten van de concerns en er zich bijgevolg geenszins een ‘rechtvaardige verdeling van de offers’ heeft voorgedaan. We voegen eraan toe: het resultaat was mei 1968.
[53] Leo Trotski heeft deze tendens van het kapitalisme tot toenemende integratie van de vakbeweging in de burgerlijke staat al in 1940 geanalyseerd (‘Trade Unions in the Epoch of Imperialist Decay’, in: Leon Trotsky on the Trade Unions, New York 1969).
[54] De zgn. verticale vakbonden in Spanje zijn een klassiek voorbeeld van een dergelijke functie van het ‘vakbondsapparaat’.
[55] In de wet ter regeling van de ‘industriële betrekkingen’, die de Britse regering Heath erdoor heeft gejaagd, wordt het oproepen tot staking door ‘onbevoegden’, kranten inbegrepen, strafbaar verklaard.
[56] Zie bijv.: Leistungslohn-Systeme, Zürich 1970; Bernard Meier, Salaires, systématique de rendement, Luzern 1968; de bijdragen van Hans Mayr, Nat Weinberg, Hans Pornschlegel in deelt van Automation — Risiko und Chance, Frankfurt 1965.
[57] Zie o.a. Tony Cliff, The Employers’ Offensive, Londen 1970. — Antonio Lettieri (in: Problemi del socialismo, nr. 49, Rome) analyseert de omstandigheden, die bij de jongste (in 1971 afgesloten) cao in de genationaliseerde Italiaanse staaltrust Italsider tot de afschaffing van de job evaluation hebben geleid.
[58] Rudolf Hilferding, Das Finanzkapital, p. 476.
[59] Zie o.a. het laatste hoofdstuk van dit boek.
[60] Fr. Pollock, p. 282 e.v. — Gerhart E. Reuss, pp. 48-51. William H. Whyte, The Organization Man, Penquin Book, 1960, enz.
[61] Deze al 40 jaar ‘presentabele’ theorie van de ‘bureaucratisering’ van het kapitalisme, te beginnen met het standaardwerk van Berle en Means (The Modern Corporation and Private Property, New York 1933) via James Burnhams The Managerial Revolution tot J.K. Galbraith’s The New Industrial State, wordt grondiger behandeld in hoofdstuk 15 van dit boek.
[62] Zie o.a. Alfred D. Chandler, Strategy and Structure, Londen 1961.
[63] ‘Het fundamentele probleem van het moderne management is de controle (in feite de planning) van het rendement der grote maatschappijen, omdat dergelijke maatschappijen tegenwoordig bloot staan aan uiterst sterke krachten, met de uiteindelijke tendens tot ontbinding van de centrale controle over het rendement van de maatschappij, en als resultaat dat ze een grotendeels ongecontroleerde en inefficiënte confederatie wordt (of blijft) van onderling botsende machtsblokken en functionele belangen’ (A.J. Merrett, p. 89).
[64] K. Marx, Das Kapital III, p. 401, pp. 542-554. Fr. Engels, Die Entwicklung des Sozialismus von der Utopie zur Wissenschaft, pp. 221-222.
[65] Aan de talrijke boven genoemde citaten die dit staven, voegen we nog een citaat toe: volgens Kruse, Kunz en Uhlmann (p. 136) wordt het grote bedrijf in het tijdperk van de automatisering beheerst door het ‘streven naar maximalisering van de omzet om de maximumwinst op lange termijn veilig te stellen.’
[66] Prof. G. William Domhoff bevestigt, dat in 1960 1 % van de volwassen Amerikanen meer dan 75 % van de hele aandelenwaarde bezat — d.w.z. een hoger percentage dan in 1922 (61,5 %) en 1929. Een senaatscommissie schat zelfs, dat 0,2 % der families 2/3 van de aandelen in hun bezit hebben (Who rules America?, Prentice-Hall 1967, p. 45). In 1960 bezaten de leden der Raden van Bestuur in 141 van de 232 grootste concerns voldoende aandelen om het concern te controleren (p. 49). — Zie ook Ferdinand Lundberg, The Rich and the Super-Rich, 1968, die scherp ingaat tegen de ten dele ook door C. Wright Mills aangehangen stelling van de heerschappij der managers (p. 442 e.v.).
[67] Zie hierover Arch Patton, ‘Are Stock Options Dead?’, in: Harvard Business Review, sept-okt 1970: ‘Alleen de best betaalde topmanagers treffen de belangrijkste beslissingen voor de onderneming, en premieaffaires waren vanuit hun standpunt de belangrijkste motivering. Na de belastinghervormingen van 1964 en 1969 moet de industrie nu haar hele stimuleringsprogramma voor topmanagers baseren op korte termijn winsten.’ — Zie eveneens prof. Shorey Peterson in The Quarterly Journal of Economics, februari 1965, p. 18. Ook een zo overtuigd verdediger van de stelling van het ‘managerkapitalisme’ als Robin Marris bevestigt, dat de topmanagers beschouwd moeten worden als leden van de ‘corporate rich’ (d.w.z. van het grootkapitaal) waarmee ze niet alleen door een bewustzijn van wederzijdse loyaliteit, maar vooral door gemeenschappelijke winstbelangen verbonden zijn (The Economie Theory of Managerial Capitalism, 1967, pp. 51, 53, 54, 47, enz.).
[68] ‘Een recent verslag bevatte de observaties van meer dan 40 Amerikaanse professionele industriebeheerders over het beheer in negen hoog geïndustrialiseerde Europese landen. Ze bezochten honderden industriële ondernemingen.(...) Ze vonden teveel voorbeelden van topmanagers (...) die zich niet realiseerden dat hun eerste functie bestaat in het plannen voor de toekomst’ (OEEC, Problems of Business Management, Parijs 1954, geciteerd door L. Landon Goodman, p. 188 e.v.).
[69] ‘De complexiteit (van industriële processen) leidt tot de eis van “management by exception”, de beperking van leidinggevende ingrepen van het management tot uitzonderings- en crisisgevallen. Routineprocessen moeten zolang zelfregelend verlopen, als ze zich normaal en volgens verwachting ontwikkelen. Alleen afwijkingen van de norm of van vooraf bepaalde doelstellingen zijn een aanleiding om in te grijpen’ (Gerhart E. Reuss, p. 48).
[70] Nikolaus Heckmann, pp. 85-88. — Zie ook A.J. Merrett, ‘Incomes, Taxation, Management Effectiveness and Planning’, in: B.W. Denning (ed.), Corporate Longe Range Planning, pp. 89-90.
[71] Nikolaus Heckmann (p. 63) maakt onderscheid tussen de beide eerste fasen in de ondernemingsplanning op lange termijn (vastleggen van de ondernemingsdoelen en van de ‘optimale mededingingsstrategie’) en de derde en vierde fase (opstellen van het actieprogramma en controle en herziening van de planning). De beide eerste horen tot de competentie van de ‘opperste leiding’, de derde en vierde ‘kunnen niet meer alleen door de opperste leiding van de onderneming beheerst worden, ook al blijven alle uiteindelijke beslissingen aan haar voorbehouden.’
[72] Voor een grondiger behandeling van deze stelling, zie onze Marxistische Wirtschaftstheorie, p. 397 e.v.
[73] Friedrich Engels, Die Entwicklung des Sozialismus von der Utopie zur Wissenschaft, MEW 19, p. 216.
[74] Zie hoofdstuk 15 van dit boek.

 

Contact webmaster

Avec le soutien de la Formation Leon Lesoil, 20, rue Plantin, 1070 Bruxelles, Belgique