Portaal

Biografie
Werken
Over het leven en het werk van Mandel...
Debatten, interviews, ...
Multimedia
Contact
Mailinglist

Nu voor 12 euro!

Dubbele DVD:

Links
Castellano
Deutsch
English
Franšais

Lenin en het probleem van het proletarisch klassenbewustzijn

Ernest Mandel Afdrukken

8. Organisatietheorie, revolutionair programma, revolutionaire praktijk

Na de traumatische schok die de 4e augustus 1914 voor Lenin betekende, deed hij ook in deze kwestie een beslissende stap voorwaarts. De organisatie wordt vanaf dit moment niet alleen maar functioneel, maar ook inhoudelijk opgevat. Het gaat er niet meer alleen om tegenover ‘de organisatie’ in het algemeen, ‘de spontaneïteit’ in het algemeen te stellen, zoals Lenin dat nog in Wat te doen? en Eén stap voorwaarts, twee stappen terug had gedaan. Maar nu wordt de objectief-conservatieve organisatie zorgvuldig onderscheiden van de objectief-revolutionaire, en dit onderscheid wordt gemaakt naar objectieve criteria (revolutionair programma, overbrengen van dit programma op de massa’s, revolutionaire praktijk enz.). De spontane strijdwil van de massa’s verdient de voorkeur boven de activiteiten van conservatief-reformistische massa-organisaties.

‘Naïeve’ organisatie-fetisjisten zouden kunnen beweren dat Lenin na 1914 overging naar het Luxemburgistische standpunt van het spontaneisme, als hij bij conflicten tussen ‘ongeorganiseerde massa’s’ en de sociaal-democratische organisatie, de eerste tegen de tweede verdedigt, respectievelijk de sociaal-democraten beschuldigt van verraad aan de massa’s [38]. Lenin ziet nu zelfs het vernietigen van conservatief geworden organisaties als een voorwaarde voor de zelfbevrijding van het proletariaat. [39]

De correctie, of beter: de aanvulling die Lenin na 1914 op zijn organisatietheorie aanbracht, was echter geen stap terug naar het verabsoluteren van de ‘zuivere’ spontaniteit, maar een stap voorwaarts naar het onderscheid tussen de revolutionaire partij en de organisatie in het algemeen. In plaats van de eis dat de partij politiek klassenbewustzijn onder de arbeidersklasse tot ontwikkeling moet brengen, treedt nu de formule: de revolutionaire voorhoede moet bij de voorhoede van de arbeiders revolutionair bewustzijn opwekken en ontwikkelen. De opbouw van de revolutionaire klassenpartij betekent het versmelten van het programma van de socialistische revolutie niet de strijdervaring van de meerderheid van de arbeiders die de voorhoede van hun klasse uitmaken. [40]

Deze uitwerking van de organisatietheorie na het uitbreken van de eerste wereldoorlog hangt samen met de herziening van Lenins concept van de actualiteit van de revolutie. Terwijl dit concept voor 1914 in zijn essentie tot Rusland beperkt was, werd het na 1914 tot heel Europa uitgebreid (de actualiteit van de revolutie in de semi-koloniën en koloniën was Lenin al na de Russische Revolutie van 1905 duidelijk).

De geldigheid van Lenins ‘strategische plan’ voor de imperialistische landen van West-Europa in onze tijd hangt daarom nauw samen met de vraag naar het karakter van het historische tijdperk waarin wij leven. Alleen als men van de — onzes inziens juiste en bewijsbare — veronderstelling uitgaat, dat het kapitalistische wereldsysteem sinds de eerste wereldoorlog, en op zijn laatst sinds de oktoberrevolutie, in een structurele crisis verkeert [41], die tot revolutionaire situaties moet leiden, mag men vanuit het standpunt van het historisch materialisme, uit de ‘actualiteit van de revolutie’ een partijconceptie afleiden. Neemt men echter aan, dat we ons nog steeds in een periode van opgang van het kapitalisme bevinden, dan moet zo een conceptie als ‘voluntaristisch’ worden afgewezen, want het specifieke van Lenins strategische elan is niet de revolutionaire propaganda, maar de oriëntering op de revolutionaire acties die op korte of middellange termijn op handen zijn. Ook in de periode van opgang van het kapitalisme waren zulke acties mogelijk (de Commune van Parijs), maar alleen als uitzonderingen die zonder succes bleven. Een partijstructuur die afgestemd is op de voorbereiding van effectieve deelname aan zulke acties, zou daarom nauwelijks zin hebben.

Het verschil tussen een ‘arbeiderspartij’ (wat betreft haar leden of zelfs haar kiezers) en een revolutionaire arbeiderspartij (of het embryo van zo een partij) ligt niet alleen in haar programma of haar objectieve maatschappelijke functie — het stimuleren en niet het weg-kanaliseren van alle objectief revolutionaire massa-acties, resp. van alle eisen en actievormen die de kapitalistische productiewijze en de burgerlijke staat in hun wezen aantasten —, maar ook in haar capaciteit dit programma pedagogisch over te brengen.

De probleemstelling kan als volgt worden toegespitst: is het gevaar van verzelfstandiging van het apparaat beperkt tot de opportunistische en reformistische ‘arbeiders’organisaties, of bedreigt het elke organisatie, ook die welke een revolutionair programma en een revolutionaire praktijk bezitten? Is bureaucratie niet het onvermijdelijke gevolg van iedere arbeidsdeling, inclusief die tussen ‘leiding’ en ‘leden’ in een revolutionaire groep? En is daarom niet iedere revolutionaire organisatie gedoemd om, zodra ze een klein kader te buiten gaat, op een bepaald punt in haar ontwikkeling en in de ontwikkeling van de massastrijd een rem te worden op de zelfbevrijding van het proletariaat?

Als we aannemen dat deze argumentatie juist is, blijft er maar één slotconclusie over: de socialistische bevrijding van de arbeidersklasse en de mensheid zou dan uitgesloten zijn. Want de veronderstelde onvermijdelijke verzelfstandiging en verdinglijking van iedere organisatie moet dan als het ene deel van een dilemma opgevat worden, waarvan het andere deel bestaat uit het onvermijdelijk ondergaan in kleinburgerlijk of burgerlijk. ‘vals bewustzijn’ van alle ongeorganiseerde arbeiders, van alle in een partiële praktijk gevangen intellectuelen, van alle aan de leiband van de universele warenproductie lopende mensen. Alleen de op een totaal bewustzijn gerichte en de theorie verrijkende revolutionaire praktijk verhindert het binnendringen valt de ‘ideologie van de heersende klasse’ in de rijen van de individuele revolutionairen. Deze praktijk kan slechts een collectief en georganiseerd karakter dragen. Als de hierboven weergegeven redenering juist zou zijn, dan zou men tot de conclusie moeten komen dat de voorhoede der arbeiders zowel met als zonder organisatie er toe is veroordeeld geen politiek klassenbewustzijn te verwerven, dan wel het snel te verliezen.

Maar in werkelijkheid is dit een valse bewijsvoering, omdat zij het begin van een proces gelijkstelt met het uiteindelijke resultaat ervan; omdat zij op een statische en fatalistische wijze uit het gevaar van de verzelfstandiging van organisaties, ook van revolutionaire, concludeert dat deze verzelfstandiging daarom onvermijdelijk is. Dit is noch empirisch, noch theoretisch te bewijzen. Want de mate waarin een revolutionaire voorhoedeorganisatie — en nog meer een revolutionaire partij — blootstaat aan het gevaar van bureaucratische deformatie, hangt niet alleen af van de tendens tot verzelfstandiging die alle instellingen in de burgerlijke maatschappij inderdaad vertonen, staar ook van de tegengestelde tendensen, bijvoorbeeld van de integratie van de revolutionaire organisatie in een internationale beweging die onafhankelijk is van ‘nationale’ organisaties en deze theoretisch (niet door middel van een apparaat, maar door middel van politieke kritiek) controleert; van de deelname aan de klassenstrijd en aan revolutionaire strijd, die een voortdurende selectie van de kaders door de praktijk mogelijk maken, van de stelselmatige poging de arbeidsdeling op te heffen door een voortdurende ‘stofwisseling’ te garanderen tussen bedrijf, universiteit en ‘vrijgestelden’; van institutionele garanties (beperking van het inkomen van de vrijgestelden, verdediging van de normen van de interne organisatiedemocratie en van de vrijheid van tendens- en fractievorming) enz.

Het resultaat van deze tegengestelde tendensen hangt af van de strijd die er tussen hen plaats vindt, welke op zijn beurt door twee maatschappelijke factoren bepaald wordt [42]: enerzijds door de mate waarin de ‘verzelfstandigde organisatie’ de weg vrijmaakt voor bijzondere maatschappelijke belangen, en anderzijds de graad van politieke activiteit van de voorhoede van de arbeiders. Alleen als deze laatste op beslissende wijze afneemt, kan de eerste zich op beslissende wijze doorzetten. De hele bewijsvoering komt dus neer op een langdradige tautologie: dat de arbeidersklasse bij toenemende passiviteit niet voor haar bevrijding werkzaam kan zijn. Maar de argumentatie bewijst niet dat bij groeiende activiteit van de voorhoede der arbeiders revolutionaire organisaties geen effectief instrument voor de bevrijding zijn, waarvan de ‘willekeur’ door de autonome activiteit van de klasse (of van haar voorhoede) ingeperkt moet en kan worden. De revolutionaire organisatie is een instrument om revoluties te realiseren. En proletarische revoluties zijn zonder groeiende politieke activiteit van de arbeiders überhaupt onmogelijk.

[38] Lenin, Der Zusammenbruch der II Internationale, p. 164 in: Lenin-Zinowjew, Gegen den Strom, 1921, Verlag der Kommunistischen Internationale.

[39] T.a.p., p.165.

[40] Lenin, De kinderziekte..., in: Oeuvres Choisies en deux volumes, II, uitgeverij voor literatuur in vreemde talen, Moskou. Zie ook de hierboven geciteerde passage in de door Rosa Luxemburg geschreven brochure Was will der Spartakusbund? — Deze conclusie getuigde van een scherper inzicht dan Trotski in 1906 of Rosa Luxemburg in 1904 demonstreerden. Beiden maakten zich illusies dat, ingeval van een groeiend conservatisme van het sociaal-democratische apparaat, de massa’s in staat zouden zijn het probleem van de machtsovername op te lossen door hun revolutionaire elan. Rosa Luxemburg verlegt in Massenstreik, Partei und Gewerkschaften het probleem zelfs tijdelijk naar de ‘ongeorganiseerde’ armste delen van het proletariaat die pas in de massastaking tot bewustzijn komen. Ook Lenin heeft in zijn geschriften na 1914 uitdrukkelijk verwezen naar deze massa’s (tegenover de ‘arbeidersaristocratie') op een o.i tamelijk simplistische wijze. Tot het niet georganiseerde deel van het Duitse proletariaat behoorden destijds o.a. de arbeiders van de grote staal- en metaalverwerkende bedrijven, die na 1918 radicaliseerden.

[41] Deze algemene crises van het kapitalisme, d.w.z. het begin van de historische periode van neergang van het kapitalisme, mag niet verward worden met conjunctuurcrises, d.w.z. periodieke economische crises, die zich zowel in de periode van opgang als in de neergaande fase van het kapitalisme voorgedaan hebben. Voor Lenin is het tijdvak dat door de wereldoorlog werd geopend, het ‘tijdperk van de beginnende sociale revolutie’, vgl. Gegen den Strom, t.a.p., p, 393.

[42] Hierin ligt wel de grootste zwakte van deze fatalistische theorie: uit de tendens tot verdinglijking concludeert ze automatisch haar maatschappelijk gevaar, zonder de tussenkomst van potentieel maatschappelijke macht en specifieke sociale belangen in de analyse te verwerken. De verzelfstandiging van portiers en kassiers geeft deze nog geen macht over banken en grootbedrijven — afgezien van de ‘macht’ tot diefstal, die bovendien slechts onder zeer bepaalde voorwaarden wordt geëffectueerd. Het bepalen van deze voorwaarden moet daarom in de analyse van de tendens tot verzelfstandiging worden betrokken, wil men haar een maatschappelijke inhoud geven.

 

Contact webmaster

Avec le soutien de la Formation Leon Lesoil, 20, rue Plantin, 1070 Bruxelles, Belgique