Portaal

Biografie
Werken
Over het leven en het werk van Mandel...
Debatten, interviews, ...
Multimedia
Contact
Mailinglist

Nu voor 12 euro!

Dubbele DVD:

Links
Castellano
Deutsch
English
Franšais

Lenin en het probleem van het proletarisch klassenbewustzijn

Ernest Mandel Afdrukken

6. Revolutionaire voorhoede en spontane massa-actie

Het is onbillijk en onjuist als men Lenins werk als een systematische ‘onderschatting’ van de betekenis van spontane massa-acties karakteriseert (waar tegenover dan de ‘waardering’ hiervan door Rosa Luxemburg of Trotski staat). Afgezien van enkele polemische teksten die alleen in hun context werkelijk begrepen kunnen worden, beoordeelde Lenin spontaan uitbrekende massastakingen en demonstraties even enthousiast als Rosa Luxemburg en Trotski [29]. Pas de stalinistische bureaucratie vervalste het leninisme in de richting van een toenemend wantrouwen tegen spontane massabewegingen — wat voor elke bureaucratie kenmerkend is.

Als Rosa Luxemburg zegt, dat het uitbreken van een proletarische revolutie niet met de agenda in de hand ‘vooruit bepaald’ kan worden, dan heeft ze volkomen gelijk, en Lenin zou haar hierin bijvallen. Evenals zij was hij ervan overtuigd dat de elementaire activiteit van de massa’s, zonder welke een revolutie ondenkbaar is, noch schematisch ‘georganiseerd’, noch door een stel gedisciplineerde onderofficieren ‘gecommandeerd’ kan worden. Evenals Rosa Luxemburg wist Lenin de inventiviteit en het initiatief die een werkelijk brede massa-actie ontwikkelt, zeer goed op hun waarde te schatten. Het verschil tussen Lenins organisatietheorie en de zogenaamde spontaneïteitstheorie — die slechts in een zeer bepaald opzicht aan Rosa Luxemburg toegeschreven kan worden — ligt daarom niet in de waardering van het massa-initiatief, maar in het oordeel over haar beperkingen. Het initiatief van de massa’s is tot veel in staat, maar het is noch in staat uit zichzelf het hele programma van een socialistische revolutie in de strijd zelf te ontwikkelen, noch in staat de centralisering van krachten te bewerkstelligen die het pas mogelijk maakt een staatsmacht met heel zijn onderdrukkingsapparaat omver te werpen, die steunt op het volledig uitbuiten van de voordelen van de ‘interne verdedigingslinies’. Met andere woorden: de grenzen van massa spontaneïteit liggen juist daar, waar duidelijk wordt dat een succesvolle socialistische revolutie niet geïmproviseerd kan worden.

Overigens bestaat de ‘zuivere’ spontaneïteit alleen in het sprookjesboek van de arbeidersbeweging, niet in haar werkelijke geschiedenis. Wat men onder de ‘spontaneïteit van de massa’s’ moet verstaan, zijn bewegingen die niet door een of andere centrale instantie van te voren precies gepland zijn. Wat men niet moet verstaan onder ‘spontaneïteit’ van de massa’s zijn bewegingen die zonder ‘politieke beïnvloeding van buiten af’ plaats vinden. Als men het vernislaagje van de zogenaamde ‘spontane bewegingen’ afkrabt, zal men er een flinke laag knalrode menie onder ontdekken: hier een lid van een ‘voorhoede’-groep die een ‘spontane’ staking op gang gebracht heeft, daar een voormalig lid van een andere ‘ultralinkse’ organisatie die in staat was bliksemsnel te reageren toen de anonieme massa nog weifelde. In het ene geval zullen we in de ‘spontane’ actie het resultaat van jarenlange vakbondsoppositie of het werk van een basisgroep ontdekken, in het tweede geval het resultaat van contacten die door medearbeiders uit een naburige stad (of bedrijf), waar de ‘linksen’ sterker zijn, gedurende lange tijd geduldig (en lange tijd zonder succes) opgebouwd zijn. Ook in de klassenstrijd bestaan er geen gebraden duiven die ‘spontaan’ uit de lucht komen vallen. Het verschil tussen de ‘spontane’ actie en het ‘ingrijpen van de voorhoede’ ligt dus niet hierin, dat in het eerste geval al degenen die in strijd zijn, hetzelfde bewustzijnsniveau hebben, terwijl in het tweede geval ‘de voorhoede’ zich van ‘de massa’ onderscheidt. Het verschil tussen beide actievormen ligt evenmin in de omstandigheid dat in ‘spontane’ acties geen leuzen ‘van buiten af’ onder de arbeiders gebracht worden, terwijl een georganiseerde voorhoede zich ‘elitair’ opstelt tegenover de elementaire eisen van de massa en haar een programma ‘opdringt’. ‘Spontane’ acties zonder het werk van een voorhoede zijn er nooit geweest. Het verschil tussen ‘spontane’ acties en acties waarin ‘de revolutionaire voorhoede ingrijpt’, bestaat hoofdzakelijk, hoewel niet uitsluitend, hierin, dat in de ‘spontane’ actie dit ingrijpen ongeorganiseerd, geïmproviseerd, discontinu en onplanmatig plaatsvindt (in een bedrijf, district of stad), terwijl het bestaan van een revolutionaire organisatie het mogelijk maakt het ingrijpen van de voorhoede in de ‘spontane massastrijd’ te coördineren, te plannen, bewust te synchroniseren en blijvend te organiseren. Bijna alle eisen van Lenins ‘hypercentralisme’ hebben hierop, en alleen hierop, betrekking.

Alleen een onverbeterlijke fatalist (d.w.z. een mechanisch determinist) kan de stelling verdedigen, dat alle massa-acties precies op de dag waarop ze plaatsgevonden hebben, plaats moesten vinden, en dat in alle gevallen waar geen massa-actie is ontstaan, deze ook niet mogelijk was. Zo een fatalistische instelling (gepropageerd door de school van Kautsky-Bauer) is in werkelijkheid de karikatuur van Lenins organisatietheorie. En het is zeker geen toeval dat vele tegenstanders van het leninisme die zo veel praten over ‘massaspontaneïteit’ dit vulgaire mechanische determinisme verdedigen en niet willen inzien, hoe zeer dit in strijd is met de ‘herwaardering’ van de ‘massaspontaneïteit’.

Al gaat men uit van de onvermijdelijkheid van periodieke spontane massa-actie — vanaf het moment dat de sociaal-economische tegenstellingen het punt bereikt hebben waarop de kapitalistische productiewijze prerevolutionaire crises moet veroorzaken —, dan blijft het toch een onomstotelijk feit, dat het precieze tijdstip onmogelijk te bepalen is, omdat incidenten, partiële conflicten en toevalligheden daarbij een belangrijke rol spelen. Daarom kan een revolutionaire voorhoede, die op de beslissende momenten in staat is, haar eigen krachten op de ‘zwakste schakel’ te concentreren, onvergelijkelijk veel effectiever zijn dan het geïsoleerde optreden van vele bewuste arbeiders, die deze mogelijkheid tot concentratie niet bezitten. [30] De twee grootste stukken arbeidersstrijd die er tot nu toe in het westen zijn geweest — mei 1968 in Frankrijk en de herfst van 1969 in Italië — hebben deze opvatting bevestigd. Beide acties begonnen met ‘spontane’ strijd die noch door de vakbonden noch door de grote sociaal-democratische of ‘communistische’ partijen voorbereid was. In beide gevallen speelden radicale arbeiders en studenten resp. revolutionaire kaders, een belangrijke rol: zij stelden de arbeidersmassa’s in staat ‘aan de hand van de praktijk te leren’. In beide gevallen namen miljoenen mensen aan het conflict deel, meer dan in de tijd van de grootste klassenstrijd na de eerste wereldoorlog: omstreeks 10 miljoen loonafhankelijke in Frankrijk, ongeveer 15 miljoen in Italië. In beide gevallen ging het doel verder dan het ‘economisme’ van de zuiver economische staking. In Frankrijk bleek dat uit de fabrieksbezettingen. In Italië uit straatdemonstraties, het stellen van politieke eisen alsook de pogingen tot zelforganisatie op de arbeidsplaats, d.w.z. tot dubbele macht: het kiezen van de delegati di reparto (hierin was de voorhoede van de Italiaanse arbeidersklasse verder dan die van de Franse, zij trok de eerste belangrijke historische les uit de Franse meidagen) [31]. Maar in geen van beide gevallen is het gelukt het burgerlijke staatsapparaat en de kapitalistische productiewijze omver te werpen, of zelfs maar een massale aanhang te verwerven voor strijddoelen die een dergelijke revolutie op korte termijn mogelijk hadden gemaakt. Om Trotski’s metafoor uit de Geschiedenis van de Russische revolutie te citeren: de stoom ontsnapte, omdat er geen cilinder was die deze op het beslissende punt kon concentreren. [32] Inderdaad: de drijvende kracht is in laatste instantie de energie van de massamobilisatie en de massastrijd, niet de cilinder zelf. Zonder deze stoom is de cilinder een lege huls. Maar zonder cilinder ontsnapt ook de sterkste stoom, en bereikt zijn doel niet. Dit is de essentie van Lenins organisatietheorie.


[29] We zouden hiervan ontelbare voorbeelden kunnen citeren. Zie o.a.: Lenin, Werken, deel 10, p. 284, 1906, deel 18 (Frans), p. 488-495, (1913), deel 23 (Frans), p. 262-266, p. 272-277 (1916-1917) enz.

[30] Vooral in de Franse algemene staking van mei 1968 is duidelijk gebleken, dat de revolutionaire voorhoede niet in staat is tot ‘spontane’ concentratie op nationaal niveau.

[31] Maar omdat een georganiseerde revolutionaire voorhoede, die hiertoe de noodzakelijke voorbereidingen had moeten treffen, ontbrak, waren ook hier deze aanzetten tot zelforganisatie niet bij machte de conservatieve centralisatie van het vakbondsapparaat, de ondernemers en het staatsapparaat blijvend te neutraliseren, laat staan breken.

[32] L. Trotski, Geschichte der russischen Revolution, deel 1, Berlijn 1931, p. 11.

 

Contact webmaster

Avec le soutien de la Formation Leon Lesoil, 20, rue Plantin, 1070 Bruxelles, Belgique