Portaal

Biografie
Werken
Over het leven en het werk van Mandel...
Debatten, interviews, ...
Multimedia
Contact
Mailinglist

Nu voor 12 euro!

Dubbele DVD:

Links
Castellano
Deutsch
English
Franšais

Lenin en het probleem van het proletarisch klassenbewustzijn

Ernest Mandel Afdrukken

5. Lenins concept van het centrale strategische plan

We zeiden al dat Lenins organisatietheorie in wezen een theorie van de revolutie is. Het is de grote zwakte van Rosa Luxemburgs polemiek tegen Lenin uit de jaren 1903-1904 dat zij dit niet onderkend heeft. Typerend is dat het centralisatiebegrip dat door Rosa Luxemburg aangevallen (en tegelijk bevestigd) werd, een louter organisatorisch begrip is. Lenin wordt verweten een ‘ultracentralistische’ politiek te voeren en ieder initiatief van de lagere partijeenheden onmogelijk te maken. [22] Maar wanneer we de organisatietheorie bekijken zoals die door Lenin zelf werd ontwikkeld, dan blijkt de nadruk geenszins op de formeel-organisatorische kant van de centralisatie te liggen, maar op haar politiek-maatschappelijke functie. Centraal in Wat te doen? staat het begrip van de ontwikkeling van het proletarisch klassenbewustzijn tot een politiek klassenbewustzijn door middel van een allesomvattende politieke activiteit, die alle problemen van de interne en externe klassenverhoudingen aan de orde stelt en daarop ook vanuit marxistisch standpunt een antwoord formuleert: “In werkelijkheid kan het verhogen van de activiteit der arbeidersmassa echter uitsluitend worden bereikt, als we ons niet beperken tot de ‘politieke agitatie op economische grondslag’. Een van de belangrijkste voorwaarden voor de noodzakelijke verbreding van de politieke agitatie is echter het organiseren van alzijdige politieke onthullingen. Het politieke bewustzijn en de revolutionaire activiteit van de massa’s kunnen slechts door deze onthullingen tot ontwikkeling worden gebracht.” En verder: “Het bewustzijn van de arbeidersmassa kan geen waarachtig klassenbewustzijn zijn, als de arbeiders niet aan de hand van concrete en bovendien in ieder geval actuele politieke feiten en gebeurtenissen leren, elke andere klasse van de maatschappij in alle verschijningsvormen van het intellectuele, morele en politieke leven van deze klasse gade te slaan; als ze niet leren de materialistische analyse en materialistische beoordeling van alle zijden van de activiteit van alle klassen, lagen en groepen van de bevolking in de praktijk toe te passen. Wie de aandacht, de opmerkingsgave en het bewustzijn van de arbeidersklasse uitsluitend of zelfs maar overwegend op haar zelf richt, is geen sociaal-democraat, want de zelfkennis van de arbeidersklasse is onverbrekelijk verbonden met de volledige helderheid niet alleen van de theoretische — of beter gezegd, niet zozeer van de theoretische — voorstellingen als wel van de uit de ervaring van het politieke leven ontwikkelde voorstellingen over de onderlinge relaties van alle klassen van de moderne maatschappij’. [23]

Om dezelfde reden benadrukt Lenin de noodzaak, dat de revolutionaire partij alle progressieve eisen en bewegingen, ook ‘louter democratische’, van alle onderdrukte maatschappelijke lagen en klassen tot de hare maakt. Het centrale strategische plan dat Lenin in Wat te doen? opstelt [24], is dat van een partij-agitatie die de elementaire, spontane, verbrokkelde en ‘slechts’ plaatselijke of sectoriele verzetsbewegingen, protesten en revoltes bundelt. De nadruk bij deze centralisatie ligt ondubbelzinnig op het politieke en niet op het organisatorische vlak. De formeel-organisatorische centralisatie beoogt slechts de uitvoering van dit strategische plan mogelijk te maken.

Daar Rosa Luxemburg deze kern van Lenins ‘centralisme’-these niet onderkent, is zij in haar polemiek gedwongen er een andere opvatting van de ontwikkeling van politiek klassenbewustzijn en het voorbereiden van revolutionaire situaties tegenover te stellen. En dan wordt het volkomen duidelijk hoe zeer ze in dit debat in het ongelijk stond. Rosa Luxemburgs opvatting dat “het proletarische leger pas in de strijd zelf gerekruteerd wordt en pas in de strijd een duidelijk beeld krijgt van de taken die de strijd stelt” [25] is door de geschiedenis weerlegd. Ook in de meest energieke en langste arbeidersstrijd kreeg de arbeidersmassa geen, of slechts onvoldoende inzicht in de taken die de strijd haar stelde (men denkt slechts aan de algemene stakingen van 1936 en 1968 in Frankrijk, aan de enorme strijd van de Italiaanse arbeiders in 1920, 1948 en 1969, of aan de klassenstrijd in Spanje van 1931 tot 1937). De ervaring van de strijd volstaat helemaal niet om de taken in een brede prerevolutionaire of zelfs revolutionaire massastrijd duidelijk te maken. Deze taken hangen namelijk niet alleen met de directe motieven samen waarop de strijd ontbrand is. Ze kunnen slechts worden vastgesteld op grond van een algemene analyse van de ontwikkeling van de hele maatschappij, van de historische situatie die de kapitalistische productiewijze en haar interne tegenstellingen hebben bereikt, evenals van de nationale en internationale krachtsverhoudingen tussen de klassen. Het is een volmaakte illusie te veronderstellen, dat zonder langdurige en stugge voorbereiding, zonder de praktische ervaring die de voorhoede der arbeiders heeft opgedaan bij de pogingen een revolutionair programma aan de massa’s over te brengen, en dat alleen met behulp van massa-acties het bewustzijn gevormd kan worden dat adequaat is aan de eisen van de historische situatie. Men zou nog verder kunnen gaan en de stelling kunnen poneren, dat het proletariaat zijn historische doelen nooit zal bereiken als aan het uitbreken van de massastrijd, die alleen de mogelijkheid schept voor het ontwikkelen van revolutionair bewustzijn, niet de noodzakelijke opleiding, scholing en praktijkervaring van een proletarische voorhoede bij het verwerken van en agiteren voor het revolutionaire programma vooraf is gegaan. Dat is de tragische les van de Duitse revolutie na de eerste wereldoorlog, die juist mislukte door het ontbreken van een geschoolde voorhoede.

Lenins strategische plan heeft als doel door de organische verbinding van de individuele revolutionaire kaders met de voorhoede der arbeiders zo een geschoolde voorhoede te creëren. Zonder een veel omvattende politieke activiteit, die de voorhoede der arbeiders buiten het kader van het loutere vakbonds- of zelfs het loutere bedrijfswerk brengt, is dat onmogelijk. De empirische gegevens waarover wij op dit moment beschikken bevestigen dat Lenins partij voor en tijdens de revolutie van 1905, en na het begin van de heropleving van de massabeweging in 1912 inderdaad zo’n partij was [26].

Men moet nog een ander gezichtspunt in de beschouwing betrekken als men de betekenis van Lenins strategische plan volledig wil begrijpen. Iedere politieke conceptie die gericht is op een revolutie, moet zich onvermijdelijk bezighouden met het probleem van de directe confrontatie met de staatsmacht, resp. het probleem van de verovering van de politieke macht. Zodra echter deze problematiek in de conceptie opgenomen wordt, ontstaat er opnieuw een drang in de richting van centralisatie. Lenin en Rosa Luxemburg waren het erover eens, dat het kapitalisme en de burgerlijke staat een geweldig centraliserende werking hebben op de moderne maatschappij [27] en dat het je reinste illusie is te hopen dat men deze gecentraliseerde staatsmacht stapsgewijs zou kunnen ‘afbreken’ zoals men een muur steen voor steen ‘afbreekt’. (Op deze illusie is overigens de ideologische kern van reformisme en revisionisme gebaseerd, die Rosa Luxemburg en Lenin beiden even fel afwezen.) [27a]

Zodra men dus de verovering van de staatsmacht als doel op korte of middellange termijn heeft gesteld, doet zich het probleem voor welk instrument men bij de verovering van de macht moet hanteren. Ook hier heeft Rosa Luxemburg het specifieke van Lenins strikt polemisch gebruik van het begrip “met de organisatie van het klassenbewuste proletariaat onverbrekelijk verbonden Jakobijnen” niet begrepen. Wat Lenin met dit begrip bedoelde, was geen blanquistische bende samenzweerders, maar een voorhoede, gericht op het ononderbroken verwezenlijken van het revolutionaire programma, die zich niet door de onvermijdelijke conjuncturele op- en neergang van de massabeweging laat afleiden van de concentratie op deze taken.

Om Rosa Luxemburg recht te doen moet men hier echter aan toevoegen, dat zij ten eerste dit probleem vanuit een bijzondere historische optiek benaderde — benaderen moest —, namelijk vanuit het gezichtspunt van het Duitsland van 1904, toen de revolutie duidelijk niet voor de deur stond; en ten tweede dat zij in Lenins geest de nodige conclusies uit deze premissen heeft getrokken, zodra de actualiteit van de revolutie ook in Duitsland een direct gegeven was. [28]


[22] Rosa Luxemburg, Organisationsfragen der russischen Sozialdemokratie, p.71-72, in: Schriften zur Theorie der Spontaneität, Hamburg 1970.

[23] Lenin, Wat te doen?, t.a.p., p. 78 en 79.

[24] Voor het direct op de revolutie gecentreerd karakter van dit plan: vgl. Wat te doen?, t.a.p., p.191-192 — Het is waar dat in Wat te doen? ook organisatorische centralisatiebepalingen voorkomen, die echter uitsluitend door de omstandigheden van de conspiratie bepaald zijn. Voor ‘legale’ revolutionaire partijen bepleit Lenin een ruim ‘democratisme’: “De (in de meest letterlijke zin van het woord) algemene controle over iedere stap van een partijman in zijn politieke werk schept een automatisch werkend mechanisme, dat bewerkstelligt wat in de biologie wordt aangeduid met het ‘voortleven van de best aangepaste’. De ‘natuurlijke selectie’ door de volledige openbaarheid, door de verkiesbaarheid en de algemene controle geeft de zekerheid dat iedere partijman tenslotte op de juiste plaats staat, dat hij dát werk op zich neemt dat het meeste past bij zijn krachten en capaciteiten, zelf alle gevolgen van zijn fouten merkt en voor aller ogen zijn bekwaamheid bewijst om fouten in te zien en ze te vermijden.” (Wat te doen?, t.a.p., p. 150).

[25] Rosa Luxemburg, Organisationsfragen der russischen Sozialdemokratie, t.a.p., p.74.

[26] Zie daarvoor David Lans, The Roots of Russian Communism, Assen 1969. Lane heeft getracht de maatschappelijke positie van het ledenbestand van de Russische sociaal-democratie en de bolsjewistische en mensjewistische fracties aan de hand van empirische gegevens uit de periode 1897-1907 te analyseren. Hij komt tot de conclusie, dat de bolsjewiki meer arbeidersleden en -activisten telden dan de mensjewiki (p. 50-51).

[27] “Er kan geen enkele twijfel aan bestaan, dat in de sociaal-democratie in het algemeen een sterke centralistische tendens bestaat. Ontstaan op de economische grondslag van het in zijn tendensen centralistisch kapitalisme, en in haar strijd op het politieke kader van de grote gecentraliseerde burgerlijke staat aangewezen, is de sociaal-democratie van nature de uitgesproken tegenstandster van ieder particularisme en nationaal federalisme. Gezien haar taak, om tegen alle partiële en groepsbelangen van het proletariaat in, de collectieve belangen van het proletariaat als klasse binnen een bepaalde staat te verdedigen, streeft ze er overal van nature naar alle nationale, religieuze en beroepsgroepen van de arbeidersklasse samen te smeden tot een enkele eenheidspartij.” (Rosa Luxemburg, Organisationsfregen der russischen Sozialdemokratie, t.a.p., p.72).

[27a] Vgl. de stelling van André Gorz, dat een nieuwe partij slechts ‘van onderop’ kan worden gevormd, zodra het netwerk van bedrijfs- en basisgroepen “haast het hele (nationale) grondgebied bedekt.” (Ni Trade-Unionistes, ni Bolcheviks, in: Les Temps Modernes, oktober 1969.) Gorz heeft niet begrepen dat de crisis van de burgerlijke staat en de kapitalistische productiewijze zich niet stapsgewijze ‘vanaf de periferie naar het centrum’ ontwikkelt, maar een discontinu proces is dat vanaf een bepaald punt naar een beslissende krachtproef toewerkt. Vindt de centralisatie van revolutionaire groepen niet tijdig plaats, dan wordt het voor de reformistische bureaucratie gemakkelijker de beweging weer onder controle te krijgen, wat tot een snelle ontbinding leidt van de voorhoede die zich aan het concentreren is — zoals ook prompt in Italië gebeurde, precies op het tijdstip dat Gorz zijn artikel schreef.

[28] Vgl. Rosa Luxemburgs artikel bij de oprichting van de KPD: Der erste Parteitag “De revolutionaire voorhoede van het Duitse proletariaat heeft zich aaneen gesloten tot een zelfstandige politieke partij” (p. 301). “Voortaan gaat het erom in de plaats van revolutionaire stemming overal de onbuigzame revolutionaire overtuiging, in de plaats van het spontane het systematische te stellen” (p. 303). (Der Gründungsparteitag der KPD, onder redactie van Hermann Weber, Frankfurt/M. 1969). Zie op pag. 301 het uittreksel uit de door Rosa Luxemburg geschreven brochure Was will der Spartakusbund?: “De Spartakusbond is geen partij, die via of door middel van de arbeidersmassa aan de macht wil komen. De Spartakusbond is slechts het doelbewuste deel van het proletariaat, dat de hele brede massa van de arbeiders bij iedere stap op hun historische taak wijst, en in ieder stadium van de revolutie het socialistisch einddoel en in alle nationale kwesties de belangen van de proletarische wereldrevolutie vertegenwoordigt.” (Cursief van mij. — E.M.). Dat “het doelbewuste deel van het proletariaat” los van de “brede massa” moet worden georganiseerd: daarin lag de essentie van het bolsjewisme, die Rosa Luxemburg in 1904 nog niet doorzag.

 

Contact webmaster

Avec le soutien de la Formation Leon Lesoil, 20, rue Plantin, 1070 Bruxelles, Belgique