Portaal

Biografie
Werken
Over het leven en het werk van Mandel...
Debatten, interviews, ...
Multimedia
Contact
Mailinglist

Nu voor 12 euro!

Dubbele DVD:

Links
Castellano
Deutsch
English
Franšais

Lenin en het probleem van het proletarisch klassenbewustzijn

Ernest Mandel Afdrukken

3. Burgerlijke ideologie en proletarisch klassenbewustzijn

Marx’ uitspraak: ‘De heersende ideologie van iedere maatschappij is de ideologie van de heersende klasse’ lijkt op het eerste gezicht in strijd met het karakter van de proletarische revolutie als bewuste omwenteling van de maatschappij door het proletariaat, als bewuste autonome activiteit van de loonafhankelijke massa’s. Een oppervlakkige interpretatie van deze uitspraak zou zelfs tot de conclusie kunnen leiden dat het utopisch is te verwachten dat de massa’s die in het kapitalisme worden gemanipuleerd en aan de invloed van burgerlijke en kleinburgerlijke ideeën blootstaan, tegen deze maatschappij een revolutionaire klassenstrijd of zelfs een sociale revolutie zouden beginnen. Herbert Marcuse is (voorlopig) slechts de laatste in een lange reeks van ideologen die uitgaande van Marx’ definitie van de heersende klasse, twijfel uitspreken aan het revolutionaire potentieel van de arbeidersklasse.

Het probleem wordt oplosbaar als men de formeel-statische beschouwingswijze door een dialectische vervangt. Marx’ uitspraak moet als volgt worden ‘gedynamiseerd’: de heersende ideologie van iedere maatschappij is de ideologie van de heersende klasse, in zo verre deze de controle bezit over de middelen van ideologische productie die de maatschappij ter beschikking staan (kerk, school, massamedia enz.) en deze middelen in haar klassenbelang gebruikt. Zolang de klassenheerschappij jong en stabiel is en daarom nauwelijks wordt aangevochten, zal de ideologie van de heersende klasse ook het bewustzijn van de onderdrukte klasse beheersen. In de eerste fasen van de klassenstrijd bedienen de uitgebuite zich nog dikwijls van de formules, idealen en ideologieën van hun uitbuiters. [7] Maar hoe twijfelachtiger de stabiliteit van de bestaande maatschappij wordt, de klassenstrijd zich verscherpt en de klassenheerschappij aan het wankelen raakt, des te duidelijker maken delen van de onderdrukte klasse zich los van de ideeën van de heersende klasse. De strijd voor de sociale revolutie wordt voorafgegaan door de strijd tussen de ideologie van de heersende klasse en de nieuwe ideeën van de revolutionaire klasse, welke strijd van haar kant weer de klassenstrijd versnelt waardoor zij wordt bepaald, doordat zij de revolutionaire klasse in staat stelt zich bewust te worden van haar historische taak en de directe doelen van haar strijd. Klassenbewustzijn van de revolutionaire klasse ontwikkelt zich daarom in de strijd tegen de ideologie van de heersende klasse. [8] Maar slechts in de directe revolutie zelf kan de meerderheid der onderdrukten zich van de heerschappij der burgerlijke ideologie bevrijden [9], die — met name in de burgerlijke maatschappij maar parallelle verschijnselen zijn in iedere klassenmaatschappij te zien — haar heerschappij niet alleen, en zelfs niet in de eerste plaats door middel van ideologische manipulatie uitoefent, maar ook (en vooral) in het dagelijks mechanisme van economie en maatschappij zelf en via de uitwerking daarvan in de hoofden van de onderdrukten. In de kapitalistische maatschappij betekent dit: verinnerlijking van de warenverhouding, die nauw samenhangt met de verdinglijking van de menselijke relaties en geworteld is in de veralgemening van de warenproductie en de verandering van de arbeidskracht in een waar, respectievelijk de veralgemening van de maatschappelijke arbeidsdeling onder de voorwaarden van de warenproductie; afmatting en verruwing van de producent door vervreemde arbeid en uitbuiting; gebrek aan vrije tijd (niet alleen in kwantitatief maar ook in kwalitatief opzicht), enz. Alleen wanneer een revolutie, d.w.z. een plotseling toenemende massa-activiteit buiten het kader van de vervreemde arbeid, de kerker van dit mechanisme verbrijzelt, kan de misleidende invloed van deze kerker op het bewustzijn van de massa’s teruggedrongen worden.

Lenins organisatietheorie probeert de innerlijke dialectiek te begrijpen van dit ontwikkelingsproces van het politieke klassenbewustzijn, dat pas in de revolutie zelf tot volle ontplooiing kan komen (zij het slechts op voorwaarde, dat deze ontplooiing al vóór de revolutie is begonnen [10]). Zij werkt met drie operationele begrippen: de categorie van de arbeidersklasse (de massa der arbeiders); de categorie van dat deel van de arbeiders dat reeds elementair georganiseerd is (de proletarische voorhoede in de ruime zin van het woord) [11]; en de categorie van de revolutionaire organisatie, die uit actieve revolutionaire en tenminste gedeeltelijk in het marxisme geschoolde arbeiders en intellectuelen bestaat.

De categorie van de ‘klasse an sich’ sluit aan bij het zogenaamde objectieve klassenbegrip bij Marx, volgens welk een maatschappelijke laag wordt bepaald door haar objectieve plaats in het productieproces, onafhankelijk van het niveau van haar bewustzijn. (In Het Communistisch Manifest en in de politieke geschriften van 1850-1852 had de jonge Marx een subjectief klassenbegrip aangehangen, dat er van uit gaat, dat de arbeidersklasse slechts door haar strijd d.w.z. door een minimum aan zelfbewustzijn tot klasse wordt. Boecharin duidt dit laatste aan met het begrip ‘klasse für sich’ als tegenstelling tot het begrip ‘klasse an sich’ [12]). Dit objectieve klassenbegrip blijft het fundamentele uitgangspunt zowel voor Lenins organisatieopvatting als voor Engels en de Duitse sociaal-democratie onder Engels, Bebel en Kautsky. [13]

Alleen omdat er een objectief-revolutionaire klasse bestaat die een revolutionaire klassenstrijd kan voeren, en alleen in verbinding met deze klassenstrijd heeft het begrip revolutionaire voorhoedepartij (en beroepsrevolutionair) wetenschappelijke betekenis, zoals Lenin zelf benadrukt. [14] Als deze verbinding ontbreekt, brengt revolutionaire activiteit hoogstens een partijkern voort, maar geen partij. Lenins organisatieconcept impliceert, dat er geen zelf-geproclameerde voorhoede bestaat en dat de voorhoede haar erkenning als voorhoede (d.w.z. het histories recht als voorhoede op te treden) eerst moet veroveren, doordat zij een revolutionaire verbinding tot stand tracht te brengen met dat deel van de klasse dat daarvan de voorhoede vormt in de ruime zin des woord.

De categorie van de ‘arbeidersvoorhoede’ gaat uit van de objectief onvermijdelijke stratificatie van de arbeidersklasse, die zowel een functie van haar historische herkomst is als van haar positie in het maatschappelijke productieproces en haar klassenbewustzijn. De ontwikkeling van de arbeidersklasse als objectieve categorie is zelf een historisch proces. Delen van de arbeidersklasse stammen van stedelijke loonarbeiders of van landarbeiders en bezitloze boeren. Andere zijn afkomstig uit de kleinburgerij (boeren, ambachtslieden enz.) Een deel van de arbeidersklasse is werkzaam in het grootbedrijf, waarin zowel de economische als de maatschappelijke verhoudingen gunstig zijn voor de ontwikkeling van een elementair klassenbewustzijn (het bewustzijn dat het ‘sociale vraagstuk’ slechts door collectieve activiteit en organisatie opgelost kan worden). Een ander deel werkt in kleine of middelgrote industriële bedrijven of in de zogenaamde dienstensector, waar economisch zelfvertrouwen en besef van de noodzaak van massa-acties op grote schaal veel langzamer ontstaan dan in het industriële grootbedrijf. Delen van de arbeidersklasse leven sinds lang in de grote stad, hebben een schoolopleiding genoten, hebben ervaring met vakbondsorganisatie en bezitten een politiek-culturele ontwikkeling (jeugdorganisaties, arbeiderskrant, vormingswerk voor arbeiders enz.).

Weer anderen leven in een provincieplaats of op het platteland (dit geldt bijvoorbeeld voor een belangrijk deel van de Europese mijnwerkers tot in de dertiger jaren). Zij kennen geen collectief sociaal leven, bezitten nauwelijks een vakbondsverleden en hebben geen enkele politiek-culturele vorming in de georganiseerde arbeidersbeweging opgedaan. Wanneer men bij al deze verschillen van historisch-structurele aard nog de verschillen in persoonlijke capaciteiten van de afzonderlijke loontrekkers telt — niet alleen de verschillen in intelligentie en het vermogen om directe ervaringen te veralgemenen, maar ook in energie, karaktersterkte, strijdvaardigheid en zelfbewustzijn —, dan begrijpt men volkomen dat de stratificatie van de arbeidersklasse in verschillende lagen (met betrekking tot de graad van hun klassenbewustzijn) een onvermijdelijk bijverschijnsel is van de geschiedenis van de arbeidersklasse zelf. Wat zich in de verschillende niveaus van het klassenbewustzijn op een bepaald moment weerspiegelt, is dit histories wordingsproces van de klasse.

De categorie van de revolutionaire partij gaat uit van de veronderstelling, dat het socialisme een wetenschap is, die in laatste instantie in haar totaliteit niet collectief, maar enkel individueel eigengemaakt kan worden. Het marxisme vormt het hoogtepunt (en ten dele ook de zelfopheffing) van tenminste drie klassieke maatschappijwetenschappen: de klassieke Duitse filosofie, de klassieke politieke economie en de klassieke Franse politicologie (het Franse socialisme en de Franse geschiedschrijving). Men moet de materialistische dialectiek, het historisch materialisme, Marx’ economische theorie en de kritische geschiedenis van de moderne revoluties en de moderne arbeidersbeweging hebben verwerkt, wil men zich het marxisme eigen kunnen maken. Alleen dan kan het in zijn totaliteit als analyse instrument van de maatschappelijke werkelijkheid en als samenvatting van een eeuw proletarische strijd tot zijn recht komen. De bewering, als zouden deze kennis en inzichten ‘spontaan’ uit de arbeid aan de draaibank of op de rekenmachine kunnen ontstaan, is absurd. [15] Het feit, dat het marxisme als wetenschap uitdrukking is van de hoogste ontwikkelingsgraad van het proletarisch klassenbewustzijn, betekent niets anders dan dat slechts de meest ervaren, intelligentste en strijdbaarste leden van het proletariaat zich, dit klassenbewustzijn langs de weg van de individuele selectie direct en zelfstandig eigen kunnen maken. Maar omdat dit leerproces een individueel karakter draagt, staat het ook open voor leden van andere maatschappelijke klassen en lagen (vooral van de revolutionaire intelligentsia en de studenten). [16] Iedere andere conceptie loopt uit op een idealisering van de arbeidersklasse en in laatste instantie van het kapitalisme zelf.


[7] Zo drukte het opkomende burgerlijke en zelfs het opkomende plebejisch-halfproletarische klassenbewustzijn in de 16e en 17e eeuw zich nog geheel in religieuze vormen uit. Pas in de tweede helft van de 18e eeuw, toen het verval van de feodaal-absolutistische orde ver genoeg gevorderd was, vond het de weg naar het openlijke materialisme.

[8] Gramsci’s begrip ‘politiek-ethische hegemonie’, die door een onderdrukte klasse in de maatschappij veroverd moet worden, vóór ze de politieke macht kan veroveren, brengt deze mogelijkheid bijzonder pregnant tot uitdrukking (vgl. Il Materialismo Storico e la Filosofia di Benedette Croce, Milaan 1964, p. 236; en Note sul Machiavelli, Milaan 1964, p. 29-37, 41-50. Dit hegemoniebegrip wordt door talrijke marxistische theoretici gekritiseerd of gerelativeerd. Zie bijvoorbeeld B.N. Poulantzas, Pouvoir politique et classes sociales, Parijs 1968, p. 210-222.

[9] Dit wordt door Marx en Engels in de Deutsche Ideologie uitgedrukt met de zin dat “de revolutie dus niet alleen nodig is, omdat de heersende klasse op geen enkele andere manier ten val kan worden gebracht, maar ook omdat de omverwerpende klasse er alleen in een revolutie toe kan komen, het juk van alle oude ballast van zich af te schudden en in staat gesteld te worden tot het nieuw vestigen van de maatschappij”. (Karl Marx-Friedrich Engels, Die Deutsche Ideologie, Berlijn 1953, p.70).

[10] Vgl. Lenin: “Onze betweter ziet niet, dat we juist tijdens de revolutie de resultaten van de (voorrevolutionaire, — E.M.) theoretische strijd tegen de critici nodig zullen hebben, voor de beslissende strijd tegen hun praktische standpunten!” (Was tun?, Verlagsgenossenschaft ausländischer Arbeiter in der UdSSR, Moskou-Leningrad 1934, p. 188 of in de engelse uitgave: V.I. Lenin, selected works in three volumes, vol. 1, Moskou 1960, p.270). De juistheid hiervan is zeventien jaar later door de Duitse revolutie bewezen.

[11] Lenin spreekt in Wat te doen? in dit verband over de ‘sociaal-democratische’ en de ‘revolutionaire arbeiders’ (in tegenstelling tot de ‘achterlijke’ arbeiders).

[12] N. Boecharin, Theorie des historischen Materialismus, Verlag der Kommunistischen Internationale 1922, p. 343-345.

[13] Vgl. het door Engels niet gekritiseerde deel van het Programma van Erfurt van de SPD, waarin de proletariërs worden beschreven als de klasse der loonarbeiders die van hun productiemiddelen gescheiden, en tot de verkoop van hun arbeidskracht veroordeeld zijn, en de klassenstrijd als de objectieve strijd tussen uitbuiters en uitgebuiten in de moderne maatschappij (onafhankelijk van de graad van organisatie of bewustzijn van de loonarbeiders). Na de beschrijving in de eerste vier paragrafen van deze objectieve stand van zaken, volgt aan het einde van het algemene deel van het programma de toevoeging: “Deze strijd van de arbeidersklasse tot een bewuste en verenigde strijd te maken en hem zijn natuurlijke doel te wijzen — dat is de taak van de sociaal-democratische partij”. Hier wordt nogmaals uitdrukkelijk bevestigd dat er ook “klassen en klassenstrijd in de kapitalistische maatschappij kunnen zijn zonder dat de strijdende arbeidersklasse zich van haar klassenbelangen bewust is”. In paragraaf 8 spreekt het programma over de “klassenbewuste arbeiders van alle landen”, hier stelt Engels een verandering voor, die nogmaals onderstreept dat hij een duidelijk onderscheid hanteert tussen het ‘objectieve’ en het ‘subjectieve’ klassenbegrip: “In plaats van ‘klassenbewust’ (...) zou ik met het oog op de algemene duidelijkheid en de vertaling in vreemde talen willen zeggen: ‘van het bewustzijn van hun klassenpositie doordrongen arbeiders’ of iets dergelijks.” (Fr. Engels, Zur Kritik des sozialdemokratischen Programmentwurfs 1891, in Marx-Engels, Werke, deel 22, p. 232, Berlijn 1963).

[14] Lenin: “Principiële voorwaarde voor het welslagen hiervan (de consolidatie van de partij. — E.M.) was natuurlijk het feit dat de arbeidersklasse, waarvan de elite de sociaal-democratie heeft geschapen, zich op objectieve economische gronden door haar organisatievermogen onderscheidt van alle andere klassen in de kapitalistische maatschappij. Indien deze voorwaarde ontbrak, zou de organisatie van beroepsrevolutionairen slechts spel zijn, een avontuur.” Lenin, Werke, deel XII, p. 74, Franse uitgave.

[15] Veel critici van Lenins organisatieconceptie, te beginnen met Plechanow (Centralisme of bonapartisme, in Iskra nr. 70, zomer 1904), beroepen zich op een passage in Die Heilige Familie, om deze conceptie te bestrijden. Daarin wordt verklaard: “Als de socialistische schrijvers het proletariaat deze wereldhistorische rol toekennen, gebeurt dit geenszins, zoals de kritische kritiek zegt te geloven, omdat ze de proletariërs voor goden houden. Eerder omgekeerd. Omdat de abstractie van alle menselijkheid, zelfs van de schijn van menselijkheid in het ontwikkelde proletariaat bijna voltooid is, omdat in de levensvoorwaarden van het proletariaat alle levensvoorwaarden van de huidige maatschappij in hun meest onmenselijke toppunt samengevat zijn, omdat de mens daarin zichzelf heeft verloren, maar tegelijk niet alleen het theoretisch bewustzijn van dit verlies heeft verworven, maar ook door de onafwendbaar geworden, niet langer te bedekken, absoluut gebiedende nood — de praktische uitdrukking van de noodzakelijkheid — direct gedwongen is tegen deze onmenselijkheid in opstand te komen, daarom kan en moet het proletariaat zichzelf bevrijden. Maar het kan zichzelf niet bevrijden zonder zijn eigen levensvoorwaarden op te heffen. Het kan zijn eigen levensvoorwaarden niet opheffen, zonder alle onmenselijke levensvoorwaarden van de huidige maatschappij, die zich in zijn situatie samenvatten, op te heffen. Het doorloopt niet tevergeefs de harde, maar stalende school van de arbeid. Het gaat er niet om, wat deze of gene proletariër, of zelfs het gehele proletariaat zich tijdelijk als doel voorstelt. Het gaat er om wat het is, waartoe het overeenkomstig dit zijn histories gedwongen zal zijn te doen. Zijn doel en zijn histories handelen ligt in zijn eigen levenssituatie, evenals in de hele organisatie van de huidige burgerlijke maatschappij, tastbaar en onherroepelijk opgesloten (ist vorgezeichnet). Op deze plaats hoeft niet uiteen gezet te worden dat een groot deel van het Engelse en Franse proletariaat zich reeds bewust is van zijn historische taak en gestadig er aan werkt dit bewustzijn tot volledige klaarheid te brengen.” (Aus dem literarischen Nachlass von Karl Marx und Friedrich Engels 1841-1850, deel 2, p 133; Stuttgart 1920: ook in: Karl Marx, Die Frühschriften, herausgegeben von S. Landshut Stuttgart 1964, p. 318-319). — Afgezien van het feit dat Marx en Engels in 1844/45 nauwelijks in staat waren een materialistische theorie van het proletarisch klassenbewustzijn en de proletarische organisatie te geven (men behoeft slechts de laatste zin van dit citaat te vergelijken met wat Engels veertig jaar later over de Engelse arbeidersklasse schreef om dit te zien), zegt deze passage juist het tegendeel van wat Plechanow er in leest. Ze zegt alleen dat het proletariaat door zijn maatschappelijke situatie is gepredestineerd voor een radicaal-revolutionair handelen, en dat de algemene socialistische doelstelling (opheffing van het privaateigendom) in haar levenssituatie ‘opgesloten’ ligt. Ze zegt niet dat de ‘onmenselijke levensvoorwaarden’ dit proletariaat idealiter in staat stellen hele maatschappijwetenschappen ‘spontaan’ te assimileren. Voor Plechanows artikel: vgl. Samuel H. Baron, Plechanow Stanford University Press 1963, p. 248-253.

[16] Men is bijna vergeten dat ook de Russische socialistische beweging voornamelijk door studenten en intellectuelen opgericht is, en dat deze, ongeveer driekwart eeuw geleden, voor een soortgelijk probleem stonden als de revolutionaire intelligentsia tegenwoordig. ‘Soortgelijk’ wil natuurlijk niet zeggen: ‘identiek’. In vergelijking met toen is er nu een belemmering extra bijgekomen: de reformistisch-revisionistische massaorganisaties van de arbeiders, en anderzijds een extra potentieel toegevoegd: de geweldige historische ervaring, die de revolutionaire beweging sindsdien heeft opgedaan. — In Wat te doen? (t.a.p., p. 83) heeft Lenin het uitdrukkelijk over de capaciteit van de intellectuelen om zich ‘politieke kennis’, d.w.z. het wetenschappelijk marxisme, eigen te maken.

 

Contact webmaster

Avec le soutien de la Formation Leon Lesoil, 20, rue Plantin, 1070 Bruxelles, Belgique